ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3847 ALGEM + 04/3777 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 6:13 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:1 AwbArt. 3 sociale werknemersverzekeringswetten
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van belanghebbenschap en ontvankelijkheid in hoger beroep inzake verzekeringsplicht

De zaak betreft een geschil over de verzekeringsplicht van appellant 2, die werkzaamheden verrichtte onder de naam van appellante 1. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had besloten dat de werkzaamheden van appellant 2 verzekeringsplichtig waren. Appellant 2 maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Appellante 1 stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante 1 niet-ontvankelijk omdat zij niet als belanghebbende werd aangemerkt en appellant 2 geen beroep had ingesteld. In hoger beroep stelde appellant 2 dat hem geen verwijt kon worden gemaakt voor het niet instellen van beroep bij de rechtbank, maar de Raad oordeelde dat hiervoor geen feiten of omstandigheden waren die dit konden rechtvaardigen.

De Raad bevestigde dat appellante 1 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat haar belang voortvloeit uit een overeenkomst met een derde partij en niet rechtstreeks uit het besluit. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank het beroep van appellante 1 op grond van artikel 6:13 Awb Pro niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar op grond van artikel 1:2 in Pro combinatie met artikel 8:1 Awb Pro. De aangevallen uitspraak wordt met verbetering van gronden bevestigd. Proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant 2 wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak dat appellante 1 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt wordt bevestigd.

Uitspraak

02/3847 ALGEM
04/3777 ALGEM
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
1. [appellante 1], gevestigd te [vestigingsplaats], en,
2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsinstituut werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellanten heeft mr. A.A. Kraaijeveld, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 14 juni 2002 tussen partijen gewezen uitspraak met reg. nr. 01/1477, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 juli 2004, waar appellanten, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
[appellant 2] (hierna: [appellant 2]) is middellijk mede-eigenaar van de aandelen van [appellante 1]te 1] (hierna: [appellante 1]). [appellant 2] heeft onder de naam van [appellante 1] B.V. werkzaamheden verricht voor [naam vennootschap] (hierna: [naam vennootschap]). Bij besluit van 6 september 2000 is aan [naam vennootschap] onder meer medegedeeld dat de door [appellant 2] ten behoeve van hem verrichte werkzaamheden verzekeringsplichtig worden geacht op grond van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten. Van dat besluit is [appellant 2] een kopie toegezonden. Het tegen dat onderdeel van het besluit door [appellant 2] gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 25 juni 2001 ongegrond verklaard.
Namens [appellante 1] is tegen het besluit van 25 juni 2001 beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dit beroep op grond van artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet [appellante 1] maar [appellant 2] bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 6 september 2000. De rechtbank heeft voorts in de stukken en het verhandelde te harer zitting geen aanknopingspunten gevonden dat het niet instellen van bezwaar door [appellante 1] haar redelijkerwijs niet kan worden verweten. De rechtbank heeft voorts bij wijze van een overweging ten overvloede geoordeeld dat [appellante 1] in het onderhavige geschil niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Daartoe is overwogen dat het (financieel) belang van [appellante 1] bij het besluit voortvloeit uit een tussen haar en [naam vennootschap] gesloten overeenkomst over de toerekening van onder meer verschuldigde sociale premies, hetgeen - naar haar oordeel - niet een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang is, als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Awb.
Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het hoger beroep van [appellant 2]
De Raad stelt vast dat [appellant 2] geen (zelfstandig) beroep heeft ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 25 juni 2001. Gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van Pro de Awb, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, dient de Raad derhalve te beoordelen of sprake is van feiten of omstandigheden op basis waarvan het [appellant 2] niet kan worden verweten geen beroep bij de rechtbank te hebben ingesteld. In hetgeen is aangevoerd omtrent de wijze waarop gedaagde met appellant heeft gecorrespondeerd, is naar het oordeel van de Raad niet een dergelijke omstandigheid gelegen. Tevens was het - blijkens het door hem ingediende bezwaarschrift - [appellant 2] duidelijk dat gedaagde ten aanzien van hem verzekeringsplicht had aangenomen. Nu de Raad ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden op basis waarvan hem van het niet instellen van beroep geen verwijt kan worden gemaakt, zal de Raad het hoger beroep van [appellant 2] niet-ontvankelijk verklaren.
Het hoger beroep van [appellante 1]
De Raad komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat [appellante 1] niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Awb kan worden aangemerkt. Hetgeen in hoger beroep hiertegen is aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel.
De Raad kan de rechtbank evenwel niet volgen in haar beslissing om het beroep van [appellante 1] op grond van artikel 6:13 van Pro de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. Het feit dat [appellante 1] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, staat namelijk aan toepassing van dit artikel in de weg. De rechtbank had het beroep van [appellante 1] op grond van artikel 1:2 van Pro de Awb, in combinatie met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep van [appellant 2] niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.