ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van belanghebbenschap en ontvankelijkheid in hoger beroep inzake verzekeringsplicht
De zaak betreft een geschil over de verzekeringsplicht van appellant 2, die werkzaamheden verrichtte onder de naam van appellante 1. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had besloten dat de werkzaamheden van appellant 2 verzekeringsplichtig waren. Appellant 2 maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Appellante 1 stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante 1 niet-ontvankelijk omdat zij niet als belanghebbende werd aangemerkt en appellant 2 geen beroep had ingesteld. In hoger beroep stelde appellant 2 dat hem geen verwijt kon worden gemaakt voor het niet instellen van beroep bij de rechtbank, maar de Raad oordeelde dat hiervoor geen feiten of omstandigheden waren die dit konden rechtvaardigen.
De Raad bevestigde dat appellante 1 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat haar belang voortvloeit uit een overeenkomst met een derde partij en niet rechtstreeks uit het besluit. Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank het beroep van appellante 1 op grond van artikel 6:13 Awb Pro niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar op grond van artikel 1:2 in Pro combinatie met artikel 8:1 Awb Pro. De aangevallen uitspraak wordt met verbetering van gronden bevestigd. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant 2 wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak dat appellante 1 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt wordt bevestigd.