ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5453
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling noodzaak herziening eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij voortzetting AAW/WAO-uitkering
In deze zaak staat centraal de vraag of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag opnieuw vastgesteld moet worden bij de voortzetting van een AAW/WAO-uitkering. Appellant betwistte het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om de uitkering met ingang van 23 augustus 1995 voort te zetten zonder een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat appellant vanaf 15 juli 1992 volledig arbeidsongeschikt was op medische gronden, en dat het besluit van 24 augustus 1995 om de uitkering in te trekken onterecht was. Het primaire besluit van 1 april 1999 handhaafde de voortzetting van de uitkering zonder nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
Appellant voerde aan dat er een toezegging was gedaan om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag opnieuw te bepalen, maar de Raad concludeert dat deze toezegging niet relevant is voor het onderhavige besluit. De overige bezwaren van appellant zijn niet meer aan de orde. De Raad oordeelt dat het primaire besluit geen nieuwe beslissing over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag bevat en dat er geen aanleiding is deze opnieuw vast te stellen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank Maastricht en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot voortzetting van de AAW/WAO-uitkering zonder nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt bevestigd.