ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5460

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3312 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van hersteldverklaring en intrekking ziekengeld op grond van ongeschiktheid tot arbeid

Appellant was sinds september 2000 werkzaam als administratief medewerker via een uitzendbureau en viel op 19 oktober 2000 uit wegens oogklachten. Op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een huisartsverklaring werd appellant per 19 december 2000 niet langer ongeschikt geacht voor zijn arbeid, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad stelde vast dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die het eerdere oordeel konden weerleggen. Een mogelijke latere verergering van de oogklachten in 2001 en 2002 was niet relevant voor de beoordeling van de situatie per 19 december 2000.

Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het recht op ziekengeld werd beëindigd vanaf 19 december 2000.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellant sinds 19 december 2000 niet meer ongeschikt is voor arbeid wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/3312 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 12 december 2000 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat appellant met ingang van 19 december 2000 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Bij besluit op bezwaar van 23 januari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 9 mei 2002, reg.nr. AWB 01/654 ZW, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen die uitspraak op bij beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 7 juni 2004 heeft appellant nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. A.J. Verdonk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de navolgende feiten en omstandigheden, welke hij als vaststaand aanneemt.
Appellant was sedert september 2000 via een uitzendbureau als administratief medewerker werkzaam en is op 19 oktober 2000 voor dit werk uitgevallen met onder andere oogklachten, waarna hem een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend. De verzekeringsarts Z. Sarras heeft op basis van zijn eigen bevindingen en het oordeel van de huisarts, zoals weergegeven in diens brief van 12 december 2000, appellant per 19 december 2000 niet langer ongeschikt geacht voor zijn arbeid, welk oordeel is neergelegd in het besluit van 12 december 2000. De bezwaarverzekeringsarts L.Th. Schonagen is in de bezwaarfase tot hetzelfde inhoudelijke oordeel gekomen, waarop gedaagde het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder overweging dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig zou zijn geweest of dat de hersteldverklaring per 19 december 2000 onterecht is, terwijl voorts geen medische stukken in het geding zijn gebracht die een ander licht zouden kunnen werpen op het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts.
Hetgeen appellant daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. De Raad heeft in de overgelegde summiere medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de besluitvorming van gedaagde onzorgvuldig zou zijn of op een onjuiste (medische) grondslag berust. De Raad voegt daaraan toe dat een uit het beroepschrift naar voren komende mogelijke verergering van de oogklachten in 2001 en 2002, wat daarvan ook zij, gelet op de datum hier in geding, 19 december 2000, niet van betekenis kan zijn.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Tot slot acht de Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.