ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WAO-dagloon bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zonder definitieve afspraken over werkuren
Appellante werkte aanvankelijk fulltime, maar ging vanwege zwangerschap per 1 februari 2000 24 uur per week werken. Na erkenning van arbeidsongeschiktheid werd het WAO-dagloon vastgesteld op basis van het loon bij een 24-urige werkweek. Appellante stelde dat zij de intentie had om weer fulltime te gaan werken, maar dat dit door arbeidsongeschiktheid niet is gerealiseerd.
De Raad beperkte zich tot de vraag of appellante voldoende had aangetoond dat zij, indien niet arbeidsongeschikt geworden, weer fulltime zou zijn gaan werken. Uit de feiten bleek dat er geen definitieve afspraken waren gemaakt met de werkgever over het aantal uren. Verklaringen van derden over kinderopvang konden geen zekerheid bieden over het werkpatroon. Bovendien was onduidelijk of het zou gaan om een 40-urige werkweek of minder.
De Raad concludeerde dat onvoldoende grond bestond om af te wijken van het uitgangspunt dat het dagloon wordt vastgesteld op basis van het loon bij het beroep dat de betrokkene gewoonlijk uitoefende op het moment van uitval. De rechtbankuitspraken werden bevestigd en het hoger beroep werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het WAO-dagloon blijft vastgesteld op basis van een 24-urige werkweek.