ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5969

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1579 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Centrale Raad van Beroep heeft appellante meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €102,- binnen een gestelde termijn. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet betaald binnen de termijn.

De Raad oordeelt dat appellante in verzuim is en dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Er zijn geen omstandigheden aanwezig die toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rechtvaardigen om hiervan af te wijken.

De Raad besluit daarom zonder verder onderzoek het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Tegen deze uitspraak staat een mogelijkheid tot verzet open binnen zes weken na verzending van het afschrift.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/1579 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, heeft als gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam, op 18 februari 2004 tussen partijen gegeven uitspraak, nr. WAO 02/3491-KNP.
Bij schrijven van 1 juni 2004 heeft mr. N. Desloover, advocaat te Rotterdam, de Raad meegedeeld dat zij de behandeling van bovengenoemde zaak heeft overgenomen.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van Pro de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij schrijven van 29 maart 2004 is de toenmalig gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 102,- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Bij aangetekende brief van 19 april 2004 is de toenmalig gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen deze termijn is betaald.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) S. Sweep.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.