ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.H. Hagendoorn-Huls
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht in socialezekerheidsrecht
Appellante was het niet eens met de correctienota’s en boetenota’s opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) voor de jaren 1995 tot en met 1998. Het geschil betrof de vraag of betrokkene 2, directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap, in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot appellante. De rechtbank Amsterdam had het eerdere besluit deels vernietigd en de zaak terugverwezen.
De Raad oordeelde dat betrokkene 2 vanaf juni 1996 tot en met 1998 feitelijk in dienstbetrekking was bij appellante, ondanks dat hij factureerde via zijn vennootschap. Dit was gebaseerd op de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de feitelijke gezagsverhouding, waarbij betrokkene 2 verplicht was aanwijzingen van appellante op te volgen en zijn werkzaamheden essentieel waren voor de bedrijfsvoering van appellante.
Verder werd geoordeeld dat appellante opzet of grove schuld had in het niet correct aangeven van de verzekeringsplicht, omdat zij geen informatie had ingewonnen bij het Uwv ondanks de onduidelijkheid. De Raad bevestigde daarom de opgelegde boete. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het eerdere besluit van 25 april 2002 grotendeels in stand bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de verzekeringsplicht en boete worden bevestigd.