Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6767

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5570 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van juiste vaststelling beperkingen door verzekeringsarts in WAO-uitkeringszaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen die het bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ongegrond verklaarde. Het betrof de weigering van een WAO-uitkering omdat appellante volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was per 19 mei 2000.

In hoger beroep stelde appellante dat zij ten tijde van de datum in geding ernstige psychische klachten had en opname dreigde, waardoor zij niet in staat was tot gangbare arbeid. Zij verwees naar verklaringen van haar psycholoog en therapeuten die haar beperkingen zouden ondersteunen.

De Raad oordeelde echter dat de beperkingen zoals vastgesteld door de bezwaarverzekeringsarts juist waren en dat de arbeidsmogelijkheden niet waren overschat. De aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bevestigde dit beeld en de door appellante aangedragen gegevens waren onvoldoende om het belastbaarheidspatroon te wijzigen. De Raad kon niet vaststellen dat opname dreigde zoals appellante betoogde.

Daarmee werd het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank bevestigd en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beperkingen juist zijn vastgesteld en wijst het beroep af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5570 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 1 oktober 2002, nummer 01/848 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.F. van den Berg, werkzaam bij het Bureau voor Rechtshulp te Assen, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 31 juli 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij na afloop van de wettelijke wachttijd van
52 weken op 19 mei 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 25 september 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellantes gemachtigde aangevoerd dat appellante ten tijde van de datum in geding zoveel psychische klachten had en zo verward was dat opname aan de orde was. Gezien het feit dat zij een gezin te verzorgen had en gezien het feit dat de behandeling van de haptonoom/ haptotherapeut J. Hamaker-Nauta resultaat had, is opname kunnen voorkomen, aldus de gemachtigde. In de overgelegde informatie van de psycholoog A.W. Egmond van 12 februari 2002 en de revalidatie-arts K. Lesuis van 16 augustus 2000 zou steun te vinden zijn voor het standpunt dat appellante op de datum in geding (nog) niet in staat was gangbare arbeid te verrichten.
De rechtbank heeft in bovenvermelde uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de door de bezwaar- verzekeringsarts geformuleerde beperkingen correct zijn vastgesteld. Uit de overgelegde brieven van de psycholoog, de haptonoom en de revalidatie-arts is de rechtbank niet gebleken dat meer beperkingen hadden moeten worden aan- genomen. Met het aannemen van een urenbeperking (maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week) en het aannemen van psychische beperkingen op de onderdelen 28A, 28E, 28H en 28I is de medische situatie van eiseres op 19 mei 2000 adequaat omschreven, aldus de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat er ten tijde in geding sprake was van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren en dat opname dreigde. Ter zitting van de Raad heeft zij nog naar voren gebracht dat dit laatste specifiek uit de verklaring van de psycholoog Egmond zou volgen. Voorts steunt de voornoemde therapeute Hamaker-Nauta haar in de stelling dat ze voorafgaand aan haar behandeling niet in staat was enige arbeid te verrichten, aldus appellante.
De Raad kan appellante hierin niet volgen. Daartoe overweegt hij dat de arbeidsmogelijkheden van appellante zoals neergelegd in het bestreden besluit naar zijn oordeel niet zijn overschat. Op grond van de in de bezwaarfase reeds gepresenteerde grieven heeft de bezwaarverzekeringsarts N. Visser in zijn rapport van 27 maart 2001 appellantes beperkingen op aspect 28 nader bezien en gemotiveerd gedeeltelijk onderschreven, gedeeltelijk gewijzigd en aangevuld. Er zijn namens appellante geen (nadere) gegevens aangedragen die de Raad aanleiding geven het in de bezwaarprocedure, herziene belastbaarheidspatroon voor onjuist te houden. Aan de rapportage van de psycholoog Egmond kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien. De Raad heeft daarin, anders dan appellante heeft betoogd, niet kunnen opmaken dat een acute opname dreigde. Op de bevindingen van de therapeute Hamaker-Nauta heeft bezwaarverzekeringsarts Visser in de beroepsfase reeds gereageerd, welke reactie door de rechtbank is en thans ook door de Raad wordt onderschreven.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de in rubriek III van deze uitspraak nader aangegeven beslissing.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2004.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) J.D. Streefkerk.