Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens passende voorgehouden functies binnen belastbaarheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 28 juli 1999, omdat zij meende arbeidsongeschikt te zijn door fibromyalgie. De Raad van bestuur van het UWV had de uitkering ingetrokken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de voorgehouden functies binnen het vastgestelde belastbaarheidspatroon van appellante passen, ondanks mogelijke overschrijdingen op onderdelen. De vergelijking van het maatmaninkomen met het loon in die functies leidde tot een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Medische stukken, waaronder een brief van een reumatoloog en een neuroloog, boden geen nieuwe relevante informatie voor de datum in geding. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onderschreven het oordeel dat er geen objectieve medische beperkingen waren die de arbeidsmogelijkheden van appellante beperkten.
Daarom kon het hoger beroep niet slagen en werd de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd. De Raad zag geen reden tot toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de voorgehouden functies passen binnen het vastgestelde belastbaarheidspatroon en de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5879 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 16 juni 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsonge- schiktheidverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 28 juli 1999 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.
Bij besluit van 7 augustus 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 27 september 2002, reg. nr. AWB 01/3315 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. K.A.M. Korssen, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer, op bij aanvullend beroepschrift van 21 januari 2003 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 4 juni 2004 is namens appellante een brief van de reumatoloog J.A.P.M. Ewals d.d. 12 april 2001 en een brief van de neuroloog L.A.M. Aerden d.d. 23 april 2004 overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 juni 2004, waar appellante en haar gemachtigde niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zondanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.
In hoger beroep is namens appellante de opvatting herhaald dat zij op en na de in geding zijnde datum 28 juli 1999 arbeidsongeschikt was vanwege haar klachten veroorzaakt door fibromyalgie. Zij acht zich ten gevolge van deze klachten niet in staat haar werkzaamheden als assistent keuken/verpleegafdeling uit te oefenen.
Gedaagde heeft het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.
Met de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende steun voor het oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid op de datum in geding niet heeft onderschat. De verzekeringsarts R.S.J. Lie Pauw Sam heeft informatie opgevraagd bij de neurochirurg
dr. R.R.F. Kuiters, waaruit niet bleek van medische beperkingen bij appellante. De bezwaarverzekeringsarts
S.C. Hekkelman-de Bie heeft zich kunnen verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts. Er bestaat, gelet op de aanwezige medische informatie, geen grond tot twijfel aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. Er is geen enkel medisch stuk waaruit blijkt van objectieve medische beperkingen bij appellante.
De Raad is eveneens met de rechtbank van oordeel dat de appellante voorgehouden functies passen binnen het ten behoeve van haar vastgestelde belastbaarheidspatroon. De Raad oordeelt dat voldoende is gemotiveerd waarom de functies, ondanks de asterisken die aangeven dat er op een bepaald onderdeel een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid is, passend zijn voor appellante. Vergelijking van het voor haar geldende maatmaninkomen met het loon dat zij kan verdienen in die functies, resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Met betrekking tot de bij schrijven van 4 juni 2004 overgelegde medische stukken zij opgemerkt dat de brief van de reumatoloog Ewals reeds in het dossier aanwezig was en dat de brief van de neuroloog Aerden geen gegevens bevat die betrekking hebben op de datum in geding.
Gelet op het bovenstaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2004.