ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante ontving een bijstandsuitkering die werd berekend op basis van een één-oudergezin. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale Recherche een onderzoek naar haar woonsituatie met haar partner. Uit observaties, dossieronderzoek en verhoren bleek dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, ondanks dat de partner op een ander adres stond ingeschreven.
Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de uitkering over de periode van 1 augustus 1993 tot en met 30 april 1998 in en vorderde de verleende bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor een deel van de periode, maar oordeelde verder ongegrond. Appellante voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat haar verklaring onder druk was afgelegd.
De Raad oordeelde dat de feiten en omstandigheden, zoals het gebruik van de woning, gezamenlijke boodschappen en het gebruik van eigendommen van de partner, voldoende bewijs vormden voor gezamenlijke huishouding. De verklaring van appellante werd als betrouwbaar beschouwd. Het College handelde terecht in het intrekken en terugvorderen van de uitkering. Het besluit van 6 juli 1999 werd echter vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag voor een deel van de periode, met behoud van rechtsgevolgen.
De Raad veroordeelde het College in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit deels vernietigd, met behoud van rechtsgevolgen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt deels vernietigd met behoud van rechtsgevolgen.