ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding met stiefvader voor AOW-toekenning
Appellant, geboren in 1935, vroeg op 26 mei 2000 een AOW-pensioen aan. Omdat hij samenwoonde met zijn stiefvader op hetzelfde adres en aangaf een gezamenlijke huishouding te voeren, kende de Sociale Verzekeringsbank hem een AOW-pensioen toe volgens de gehuwdennorm. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het onderscheid tussen bloedverwanten en aanverwanten onrechtvaardig was en dat de samenwoning voortkwam uit een verzorgingsrelatie.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de wetgever op objectieve en redelijke gronden het onderscheid tussen bloedverwanten in de eerste graad en aanverwanten heeft gemaakt. De aard van de relatie en de motieven voor samenwoning zijn niet relevant voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding.
De Raad benadrukte dat het feit dat de samenwoning voortkomt uit de hulpbehoevendheid van de stiefvader niet in de weg staat aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding. De uitspraak bevestigt daarmee de toepassing van de AOW-regels zoals door de Sociale Verzekeringsbank gehanteerd en sluit het bezwaar van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en zijn stiefvader een gezamenlijke huishouding voeren en wijst het beroep af.