ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1200 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens termijnoverschrijding in sociale zekerheidszaak

Appellante maakte bezwaar tegen een uitkeringsspecificatie van maart 2002, dat door het College van burgemeester en wethouders van Zutphen ongegrond werd verklaard. Zij kwam vervolgens in beroep bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad onderzocht of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. Het geschil betrof de datum van verzending van het besluit op bezwaar, die bepalend is voor het aanvangsmoment van de beroepstermijn. Gedaagde kon de verzending op 30 juli 2002 niet aantonen met een postregistratiesysteem of ontvangstbevestiging. Appellante ontkende ontvangst op die datum, maar bevestigde wel ontvangst op een later moment.

De Raad oordeelde dat het risico van het niet kunnen aantonen van de verzenddatum bij de afzender ligt en dat onzekerheid hierover niet ten nadele van appellante mag werken. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht. De Raad vernietigde de uitspraak en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelde de Raad gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellante in hoger beroep.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1200 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit gedateerd 13 augustus 2002 en met verzenddatum 30 juli 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 21 maart 2002, zijnde de uitkeringsspecificatie van maart 2002.
Bij op 6 september 2002 gedagtekende brief, ingekomen op 23 september 2002 is appellante tegen genoemd besluit bij de rechtbank Zutphen in beroep gekomen.
Bij uitspraak van 23 januari 2003, reg.nr. 02/1335 NABW, heeft de rechtbank het beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Bij beroepschrift met bijlagen van 27 februari 2003 is appellante van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 17 april 2003 van verweer gediend.
Bij brief van 25 november 2003 heeft gedaagde een vraag van de Raad beantwoord en stukken ingezonden.
Appellante heeft bij brief van 30 juni 2004 nog een nadere reactie gegeven en stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 juli 2004, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde
- daartoe ambtshalve opgeroepen - zich heeft doen vertegenwoordigen door B.H.P.G. Buiting, werkzaam bij de gemeente Zutphen.
II. MOTIVERING
In geding is het antwoord op de vraag of de rechtbank het beroep van appellante terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad gaat uit van de volgende vastgestelde feiten en omstandigheden.
Het op 13 augustus 2002 gedagtekende besluit op bezwaar is niet aangetekend of met bericht van ontvangst aan appellante verzonden. Gedaagde stelt het besluit ondanks de latere datering reeds op 30 juli 2002 te hebben verzonden, maar heeft de verzending van dat besluit op 30 juli 2002 ook niet door middel van een postregistratiesysteem of anderszins kunnen aantonen. Appellante betwist niet dat zij het besluit heeft ontvangen, maar wel dat dit besluit haar al op 30 juli 2002 is toegezonden.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb vangt de beroepstermijn aan op de dag na die waarop het besluit is verzonden dan wel uitgereikt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat het besluit daadwerkelijk (op de desbetreffende dag) is verzonden voor rekening van de afzender. Daarbij wordt echter niet uitgesloten dat langs andere weg wordt aangetoond dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de termijn is voldaan.
Nu verzending van het besluit op 30 juli 2002 niet door gedaagde is aangetoond, is niet met zekerheid vast te stellen op welke datum de beroepstermijn is aangevangen. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de Raad niet ten nadele van appellante uitwerken in die zin dat haar beroep vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het komt de Raad aangewezen voor de zaak, na vernietiging van de aangevallen uitspraak, naar de rechtbank terug te wijzen.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Zutphen;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellante in hoger beroep ad € 322,--;
Bepaalt dat de gemeente Zutphen het griffierecht ad € 82,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2004.