Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6851

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4940 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig betalen griffierecht in hoger beroep WAO

Opposant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem inzake een WAO-zaak, maar werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht van €87 niet binnen de gestelde termijn van vier weken was betaald. Opposant diende vervolgens een verzetschrift in en voerde aan dat hij geen acceptgiro of rappel had ontvangen vanwege een adreswijziging.

De Raad overwoog dat het risico van het niet tijdig betalen van het griffierecht door het niet doorgeven van de juiste adresgegevens volledig voor rekening komt van de partij die het hoger beroep instelt. Opposant had pas na afloop van de betalingstermijn de Raad geïnformeerd over zijn verhuizing.

De Centrale Raad van Beroep vond geen gronden om het verzet gegrond te verklaren en wees ook een beroep op artikel 8:75 van Pro de Awb af. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring gehandhaafd.

De uitspraak benadrukt het belang van tijdige communicatie van adreswijzigingen door betrokkenen in bestuursrechtelijke procedures en bevestigt dat niet tijdig betalen van griffierecht zonder geldige reden tot niet-ontvankelijkheid kan leiden.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep gehandhaafd wegens niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4940 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 is het namens opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 augustus 2003 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak van de Raad heeft opposant bij brief van 7 mei 2004 een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 15 juli 2004, waar partijen -zoals tevoren bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of de Raad opposant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
De uitspraak van de Raad van 25 maart 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 87,-- niet binnen de door de griffier bij aangetekende brief van 20 november 2003 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
Opposant geeft in zijn verzetschrift aan dat hij geen acceptgiro en een rappel voor het betalen van het griffierecht heeft ontvangen op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Opposant brengt verder naar voren dat hij in november 2003 is verhuisd naar het adres [adres 2] te [woonplaats].
De Raad is in zijn algemeenheid van oordeel dat het op de weg van een betrokkene ligt om de Raad tijdig te informeren omtrent veranderende adresgegevens. Opposant heeft eerst na afloop van de gegeven termijn de Raad bij brief van
27 december 2003 op de hoogte gebracht van zijn verhuizing.
De Raad overweegt daarbij dat in situaties als de onderhavige het uitgangspunt geldt dat het risico van het “niet tijdig” betalen van het griffierecht als gevolg van het niet tijdig doorgeven van de juiste adresgegevens, volledig voor rekening komt van de partij die het hoger beroep instelt.
In aansluiting op hetgeen in de uitspraak van 25 maart 2004 is overwogen merkt de Raad op dat hij in hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposant het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.