ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6886

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4781 OSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 UitzendbesluitArt. 8:75 AwbArt. 97l Werkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling sectorindeling bedrijf bij Uitzendbesluit en Werkloosheidswet

Eiseres betwistte haar herindeling door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) per 1 januari 2001 bij sector 3 Bouwbedrijf, terwijl zij zichzelf als detacheringsbedrijf voor technische medewerkers beschouwt en bij sector 52 Uitzendbedrijven ingedeeld wenste te worden. Het bezwaar was gebaseerd op de loon- en arbeidsgegevens van 2000, het eerste jaar van haar onderneming.

De Raad overwoog dat de indeling op grond van artikel 3 van Pro het Uitzendbesluit en artikel 97l, tweede lid van de Werkloosheidswet correct was, waarbij een peilperiode van drie jaar geldt om sectorwijzigingen te voorkomen. Er was geen sprake van een plotselinge structurele wijziging die een herindeling zou rechtvaardigen. Tevens waren er geen uitzendovereenkomsten met uitzendbedingen, maar arbeidsovereenkomsten in vaste dienst.

De Raad concludeerde dat meer dan 50% van het premieloon in 2000 toerekenbaar was aan sector 3 en dat de indeling bij sector 52 niet passend was. De concurrentiepositie van eiseres speelde geen beslissende rol. Het beroep werd ongegrond verklaard en de sectorindeling bevestigd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de sectorindeling bij sector 3 Bouwbedrijf bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4781 OSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 26 augustus 2002 heeft verweerder, beslissende op het bezwaarschrift van eiseres van 30 november 2000, bepaald dat eiseres met ingang van 1 januari 2001 is aangesloten bij sector 3. Bouwbedrijf.
Namens eiseres heeft [directeur], directeur bij PartnerConsult Adviesgroep bv (hierna:PCA) op bij beroepschrift van 6 september 2002, met een aanvulling van
13 december 2002 aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen evenbedoeld besluit.
Verweerder heeft bij brief van 13 januari 2003 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli 2004, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde M. Knol, medewerker bij PCA, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Eiseres keert zich in beroep tegen haar herindeling bij het na bezwaar genomen bestreden besluit van verweerder om haar vanaf 1 januari 2001 in te delen bij sector 3. Bouwbedrijf, zijnde de datum waarop het nieuwe Uitzendbesluit in werking is getreden en van toepassing is geworden. Zij ziet zulks als een alleen op loon- en arbeidsgegevens uit 2000 gebaseerde toevalstreffer voor een op 1 januari van dat jaar gestarte onderneming en wenst ten tijde in geding indeling bij sector 52. Uitzendbedrijven, waarin werkgevers zijn ondergebracht welke zich bezighouden met het uitzenden van arbeidskrachten, als hoedanig zij zichzelf als detacheringsbedrijf van technische medewerkers voor allerhande zakelijke dienstverlening bij diverse opdrachtgevers beschouwt. Zij acht zich daarenboven door verweerders besluitvorming in haar gelijkwaardige concurrentiepositie voor een startende onderneming aangetast.
Verweerder heeft aan zijn bestreden besluit en zijn hiermee in overeenstemming zijnd verweer, gelijk nader toegelicht ter zitting van de Raad, ten grondslag gelegd dat
- verkregen informatie van eiseres uitwijst dat in het peiljaar 2000 circa 52,25% van het premieloon gemoeid is met werkzaamheden, welke naar aard ressorteerden onder de werkingssfeer van sector 3. Bouwbedrijf.
- op grond van artikel 3 van Pro het Uitzendbesluit eiseres alsdan vanaf 1 januari 2001 van rechtswege ressorteerde onder de werkingssfeer van sector 3. Bouwbedrijf.
- weliswaar in 2001 de verhoudingen met betrekking tot werk en premieloon reeds anders lagen, doch dat met toepassing van de “in de regel”- bepaling, artikel 97 l, tweede lid van de Werkloosheidswet ter voorkoming van ” duiventileffecten” eerst een periode van drie jaren moet zijn doorgemaakt, alvorens vanuit een gewijzigde loonsomverhouding tot een gewijzigde sectorindeling te komen.
- er geen sprake is geweest van een plotseling opgetreden structurele verandering in de bedrijfsuitoefening, welke tot een nieuwe beoordeling zou dienen te leiden inzake de van rechtswege bevoegde sector, nu het bedrijf anno 2004 nog immer bij sector 3 staat ingeschreven.
- geen uitzendovereenkomsten met echte uitzendbedingen aan de orde zijn geweest, waardoor niet ware in te delen in sector 52. Uitzendbedrijven, doch van arbeidsovereenkomsten in vaste dienst met te detacheren arbeidskrachten om voor en onder leiding en toezicht van derden werk te verrichten, onder indeling met toepassing van artikel 3 van Pro het Uitzendbesluit in een vaksector, zijnde in casu sector 3. Bouwbedrijf.
De Raad overweegt dienaangaande dat in casu terecht en op goede gronden, met toepassing van de artikel 97 l, tweede lid van de Werkloosheidswet enerzijds en artikel 3 van Pro het nieuwe Uitzendbesluit anderzijds gevoegd bij de daaromtrent gegeven toelichting omtrent de grondslagen, per 1 januari 2001 is besloten tot indeling van eiseres bij sector 3. Bouwbedrijf. Dat een relatief korte peilperiode zijnde 2000 voor de afpaling van de werk- en loonsomverhoudingen bij eiseres als maatstaf voor de indeling is gebezigd, maakt dit niet anders en is inherent aan een startende, kort in bedrijf zijnde onderneming en leidt op zichzelf niet tot een in tijd op minder dan de gebruikelijke drie jaren gemitigeerde toepassing van de “in de regel”- bepaling van artikel 97 l, tweede lid van de Werkloosheidswet. Zulks is te minder gegeven de redactie en strekking van de betrokken regelgeving aangewezen, nu eiseres bij een volgende peildatum 1 januari 2004 nog steeds stond ingeschreven bij sector 3, en er kennelijk tussentijds geen plotselinge tot herbeoordeling leidende structurele en duurzame wijziging in de bedrijfsuitoefening is opgetreden en van een evidente klemmende noodzaak tot herindeling naar een andere sector als verlangd evenmin concreet en op overtuigende wijze is gebleken. Daardoor faalt tevens de grief van eiseres als zou haar indeling op ondubbelzinnige wijze op een arbitraire toevalstreffer gebaseerd zijn geweest.
In aanmerking genomen voorts dat een te onderscheiden sectorindeling van de echte uitzendbranche met kortlopende arbeidssituaties tegenover de daartoe niet direct te rekenen samengestelde bedrijven de regelgever voor ogen heeft gestaan en bij eiseres in de relevante periode van toetsing duidelijk geen sprake is geweest van uitzendovereenkomsten met echte op directe beëindiging gerichte uitzendbedingen ten faveure van contractspartijen doch veeleer van vaste(re) arbeidsovereenkomsten van andere strekking kan een juiste uitleg van het slot van te dezen van toepassing zijnde artikel 3 van Pro het Uitzendbesluit zich naar het oordeel van de Raad ook niet verdragen met een indeling van eiseres bij sector 52, omdat ook functioneel en naar gespreide aard van de activiteiten bezien in 2000 meer dan 50% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis onmiskenbaar aan één op zichzelf staande andere sector kon worden toegerekend dan laatstgenoemde. Een zekere fluctuatie van activiteiten in de navolgende jaren, dat juist bij een doorstartend bedrijf kan optreden doch niet direct in de beoordeling kan worden betrokken, doet geen afbreuk aan de deugdelijkheid van dit oordeel.
Bij de oordeelsvorming ter zake van de indeling vermogen volgens de Raad tenslotte op basis van het stelsel van de regelgever repercussies op de concurrentiepositie van het bedrijf van eiseres geen beslissende rol te spelen.
Op grond van het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van de Raad het beroep van eiseres niet slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
De Raad beslist mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2004.
(get) B.J. van der Net
(get) R.E. Lysen
MdH040728