Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6971

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6340 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij WAO-uitkering

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om geen WAO-uitkering toe te kennen. Dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV had verzaakt hem te informeren over de mogelijkheid tot het indienen van een voorlopig bezwaar, waardoor de termijnoverschrijding niet had plaatsgevonden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen wettelijke of ongeschreven verplichting bestaat voor het bestuursorgaan om ongevraagd te informeren over het voorlopige bezwaar. Het verzuim lag bij appellant zelf.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar blijft niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van een WAO-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6340 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 18 april 2002 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.
Bij besluit van 15 augustus 2002 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 18 april 2002 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Bij uitspraak van 1 december 2003, reg.nr 02/4265 WAO, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen het besluit van 15 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. In zijn beroepschrift van
8 december 2003 heeft hij vermeld op welke grond hij het niet eens is met de aangevallen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 5 februari 2004.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. van Hilten, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is het niet eens met de aangevallen uitspraak omdat daarin geen rekening is gehouden met het feit dat gedaagde heeft verzaakt hem op de hoogte te brengen van het bestaan van de mogelijkheid tot het indienen van een voorlopig bezwaar. Was deze informatie hem wel ter ore gekomen, dan was er in eerste instantie überhaupt geen sprake geweest van een overschreden bezwaartermijn, aldus appellant.
Deze beroepsgrond, de enige die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, treft evenwel geen doel, reeds omdat er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen beginsel bestaat op grond waarvan gedaagde gehouden was om ongevraagd informatie te geven over de mogelijkheid van het indienen van een voorlopig bezwaarschrift. Niet gedaagde, maar appellant zelf is in verzuim geweest.
Het vorenoverwogene leidt tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
CVG