ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3522 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.G.M. Simons
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 113, eerste lid Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking ontheffing arbeidsverplichtingen op basis van medisch advies

Appellant ontving een bijstandsuitkering en had sinds 1 januari 1997 ontheffing van arbeidsverplichtingen. Op 31 januari 2001 trok de gemeente Groningen deze ontheffing in, gebaseerd op het advies van arts Oosterhuis, die na dossieronderzoek en een gesprek met appellant concludeerde dat appellant arbeidsgeschikt is voor werk zonder veel stress en zonder blootstelling aan stof of dampen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij ernstige psychische problemen heeft die hem volledig arbeidsongeschikt maken en dat het medisch onderzoek onvoldoende was. Hij stelde dat een tweede onafhankelijke arts geraadpleegd had moeten worden en verzocht om benoeming van een deskundige, bij voorkeur een psychiater.

De Raad oordeelde dat het advies van Oosterhuis voldoende was, mede omdat appellant geen medische onderbouwing voor zijn stellingen had geleverd en hij sinds 1993 slechts eenmaal bij het RIAGG was geweest zonder behandeling. Er was geen aanleiding voor een diepgaander onderzoek of inschakeling van een tweede arts. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De intrekking van de ontheffing van arbeidsverplichtingen wordt bevestigd op basis van het medisch advies.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/3522 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. drs. J.Th. Waterman, werkzaam bij Buro voor Rechtshulp te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
29 mei 2002, reg.nr. 01/673 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 30 juni 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen en voor de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier wat de feiten betreft met het volgende.
Aan appellant, die een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangt naar de norm voor een echtpaar, is met ingang van 1 januari 1997 ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw.
Bij primair besluit van 31 januari 2001 heeft gedaagde de ontheffing met ingang van 1 februari 2001 ingetrokken. Gedaagde heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van L. Oosterhuis, arts bij het - gemeentelijke - Centraal Meldpunt Zorg te Groningen, van 29 november 2000. Oosterhuis heeft dossieronderzoek verricht en heeft op 24 november 2000 een gesprek met appellant gehad, bij welke gelegenheid appellant een aan hem voorgelegde vragenlijst heeft ingevuld. Op grond van de beschikbare gegevens heeft Oosterhuis vastgesteld dat bij appellant sprake is van psychische klachten, als gevolg waarvan appellant zich slecht kan concentreren, en voorts van allergische klachten. Daarmee rekening houdende heeft Oosterhuis geconcludeerd dat appellant arbeids-geschikt moet worden geacht voor arbeid zonder veel stress en dat werken in een stoffige ruimte of in een ruimte met veel dampen niet wenselijk is.
Bij besluit op bezwaar van 25 juni 2001 heeft gedaagde het besluit van 31 januari 2001 gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering in die zin dat rekening moet worden gehouden met de door Oosterhuis in zijn advies van 29 november 2000 vastgestelde beperkingen ten aanzien van de aard van de arbeid.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 25 juni 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft betoogd dat sprake is van psychische problemen van ernstige en aanhoudende aard, als gevolg waarvan hij in het geheel niet in staat is tot het verrichten van werkzaamheden in dienstverband. Het door Oosterhuis verrichte medische onderzoek kan niet als afdoende worden beschouwd, nu deze onvoldoende is ingegaan op de door appellante gestelde psychische problematiek. Gedaagde had bovendien een tweede, onafhankelijke arts moeten inschakelen. Ten slotte heeft appellant de Raad verzocht een deskundige te benoemen, bij voorkeur een psychiater.
De Raad is tot het oordeel gekomen dat gedaagde zijn besluitvorming op het advies van Oosterhuis van 29 november 2000 heeft mogen baseren. Uit dat advies blijkt dat appellant sedert 1993 eenmaal bij het RIAGG is geweest, maar dat geen behandeling heeft plaatsgevonden. Ook nadien is appellant niet onder behandeling geweest voor klachten van psychische aard. Er was dan ook voor Oosterhuis geen aanleiding om ernstiger klachten aan te nemen dan de door appellant aangegeven concentratie-stoornissen en derhalve evenmin voor een diepergaand onderzoek op dit punt. Met die concentratiestoornissen en ook met de door appellant aangegeven allergische klachten heeft Oosterhuis in zijn advies vervolgens voldoende rekening gehouden.
Reeds omdat appellant zijn stellingen niet met enig medisch gegeven heeft onderbouwd, kan gedaagde niet gehouden worden geacht om - in het kader van de bezwaarschriftprocedure of anderszins - een tweede, onafhankelijke arts in te schakelen.
Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Het hoger beroep treft geen doel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) P.E. Broekman.
BvW/38