ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7051

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3596 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 106 AbwArt. 107 AbwArt. 113 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verplichting tot minimaal twee sollicitaties per maand bij bijstandsuitkering

Appellant ontvangt sinds 1995 een bijstandsuitkering als aanvulling op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Na een heronderzoek heeft het College van burgemeester en wethouders van Gouda bij brief van 28 mei 2001 aan appellant opgelegd om minimaal twee verifieerbare sollicitaties per week te verrichten, met maandelijkse rapportage.

Op bezwaar van appellant heeft het College dit aantal teruggebracht naar twee sollicitaties per maand. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij zich richt op vrijwilligerswerk en geen reële kansen op de arbeidsmarkt heeft.

De Raad oordeelt dat het College redelijk heeft gehandeld door de sollicitatieverplichting op te leggen als concretisering van de algemene arbeidsverplichting uit artikel 113 Abw Pro. Er is geen sprake van een beletsel voor appellant om aan deze verplichting te voldoen. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De verplichting tot minimaal twee verifieerbare sollicitaties per maand wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/3596 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 16 mei 2002, reg.nr. 01/3920 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 30 juni 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Dalsum, werkzaam bij de gemeente Gouda.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt als aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering sinds 27 februari 1995 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van een heronderzoek heeft gedaagde bij brief van 28 mei 2001 aan appellant medegedeeld dat zijn bijstandsuitkering, met inbegrip van de daaraan verbonden verplichtingen, ongewijzigd wordt voortgezet. Tevens heeft gedaagde daarbij medegedeeld dat appellant minimaal twee verifieerbare sollicitaties per week dient te verrichten en daarvan maandelijks aan gedaagde een overzicht dient te zenden.
Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft gedaagde het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, waarbij het aantal door appellant aantoonbaar te verrichten sollicitaties is teruggebracht naar twee per maand.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 2 oktober 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is betoogd dat hij zich wil blijven richten op zijn (vrijwilligers)werkzaamheden voor de Stichting Popmuzikanten Kollektief Gouda teneinde een bestaan als zelfstandige op te bouwen, en voorts dat hij gelet op zijn persoonlijke omstandigheden in feite op de arbeidsmarkt geen kans maakt.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Anders dan de rechtbank ziet de Raad, met verwijzing naar zijn uitspraak van 22 juni 2004, reg.nr. 01/4824 NABW, in de brief van gedaagde van 28 mei 2001 niet een
- ambtshalve - weigering om appellant, met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw, geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Wel ziet de Raad daarin een besluit op grond van de in artikel 106 van Pro de Abw aan het bevoegde bestuursorgaan toegekende
- discretionaire - bevoegdheid tot het aan de bijstand verbinden van een verplichting die strekt tot inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking. Naar die bepaling wordt in het besluit van 2 oktober 2001 ook (mede) verwezen.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad vervolgens geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten appellant te verplichten ten minste twee verifieerbare sollicitaties per maand te verrichten, zulks ter concretisering van de algemene - in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw opgenomen - verplichting om naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat enig werkelijk beletsel om aan deze sollicitatieverplichting te voldoen door appellant niet is opgeworpen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) P.E. Broekman.
BvW/38