ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging recht op ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid
Appellante was werkzaam als conciërge op een basisschool en viel uit wegens klachten zoals pijn, vermoeidheid en depressiviteit. Na beëindiging van haar contract vroeg zij een uitkering krachtens de Ziektewet aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot dat zij vanaf 19 maart 2001 niet langer ongeschikt was voor haar werk en het recht op ziekengeld werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten objectief waren, dat de behandelende sector niet was geraadpleegd en dat haar werkzaamheden zwaarder waren dan aangenomen. De Raad overwoog dat de verzekeringsarts zorgvuldig onderzoek had gedaan, inclusief overleg met huisarts en werkgever, en concludeerde dat appellante lichte werkzaamheden tot 20 uur per week kon verrichten.
De Raad achtte de medische stukken en het oordeel van de verzekeringsarts overtuigend en vond geen aanleiding voor nader onderzoek. Het beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.