ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens juiste vaststelling beperkingen en belastbaarheid
Appellant, werkzaam als grondwerker, viel uit wegens rugklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Na onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werd vastgesteld dat appellant beperkt was in rugbelastende werkzaamheden, met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Gedaagde weigerde aanvankelijk de uitkering, maar kende deze later toe na bezwaar.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens een onzorgvuldige bezwaarprocedure, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand omdat de medische beperkingen en belastbaarheid naar haar oordeel juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de bezwaarprocedure niet zorgvuldig was verlopen en dat zijn beperkingen onderschat waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht artikel 8:72, derde lid, van de Awb toepaste om de rechtsgevolgen in stand te laten, mede omdat appellant alsnog de benodigde stukken ontving en kon reageren. De Raad vond geen aanwijzingen dat de medische beperkingen onjuist waren weergegeven of dat de mate van arbeidsongeschiktheid verkeerd was vastgesteld.
De Raad bevestigde dat de aan appellant voorgehouden functies medisch passend waren, ook na nadere beoordeling van specifieke functies zoals inpakker koekjes en inpakker schokbrekers. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de weigering van een WAO-uitkering terecht is vanwege juiste vaststelling van beperkingen en belastbaarheid.