ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziektewetuitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsbeperkingen
Appellant, werkzaam als kok, viel uit wegens rugklachten en ontving een WAO-uitkering die later werd herzien. Op 15 september 1999 meldde hij zich ziek wegens toegenomen rugklachten. Gedaagde weigerde een ziektewetuitkering vanaf die datum omdat appellant niet arbeidsongeschikt zou zijn. In bezwaar en beroep voerde appellant aan dat ook handklachten zijn arbeidsvermogen beperkten, met medische verklaringen ter onderbouwing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat uit de medische stukken niet bleek dat op 16 november 1999 al sprake was van relevante handbeperkingen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Uit het medisch dossier en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt onvoldoende bewijs voor beperkingen op die datum.
Daarnaast stelde de Raad vast dat de functies die appellant kon vervullen geen bijzondere eisen stelden aan hand- en vingergebruik. Daarom was appellant op 16 november 1999 niet ongeschikt voor zijn arbeid. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De ziektewetuitkering wordt geweigerd omdat onvoldoende is aangetoond dat appellant op 16 november 1999 arbeidsongeschikt was door handklachten.