ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag en maatmaninkomen in AAW-uitkering
Appellant betwistte de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het maatmaninkomen in verband met zijn AAW-uitkering. De Raad verwijst naar eerdere procedures waarin de rechtbank en de Raad zelf reeds uitspraken deden over de juiste datum van arbeidsongeschiktheid en de berekening van het maatmaninkomen.
Medische rapporten van verzekeringsartsen en psychiaters ondersteunen de keuze van 4 december 1990 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Er is geen bewijs voor een eerdere datum van arbeidsongeschiktheid, ondanks door appellant aangevoerde stukken over eerdere psychotherapie.
De arbeidskundige berekening van het maatmaninkomen en de winstverdeling tussen appellant en zijn echtgenote is eveneens geverifieerd en niet ter discussie gesteld met nieuwe gegevens. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen over de AAW-uitkering en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidsdag.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van 4 december 1990 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het maatmaninkomen worden bevestigd.