ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens onjuiste maatstaf arbeid bij WAO-schatting
Appellant, voormalig werknemer in een rozenkwekerij en later werkzaam in een bakkerij, meldde zich ziek wegens psychische klachten. Het UWV beëindigde zijn ziekengeld op basis van de beoordeling dat hij geschikt was voor zijn eigen werk, waarbij het werk in de bakkerij niet als maatstaf werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat het UWV onterecht het werk in de bakkerij buiten beschouwing liet, ondanks het ontbreken van nadere gegevens over dat werk. Het standpunt dat appellant vanaf het begin ongeschikt zou zijn geweest voor het bakkerijwerk was onvoldoende onderbouwd. Volgens vaste jurisprudentie moet de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid als maatstaf gelden, wat in dit geval zowel het werk in de rozenkwekerij als in de bakkerij betreft.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaalde rechten aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onjuiste maatstaf voor de arbeid en het UWV moet een nieuw besluit nemen.