ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergoeding wettelijke rente over nabetaalde WAO-uitkering
Appellante vorderde vergoeding van wettelijke rente over een langere periode en een hogere rente dan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) toegekend, alsmede vergoeding van proces- en administratiekosten. De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard, met name over de periode waarover rente werd toegekend en de wijze van rente berekening volgens het oude Burgerlijk Wetboek.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de periode van 7 maart 1990 tot 1 juni 2001 correct is vastgesteld als de periode waarover wettelijke rente moet worden betaald. De Raad verwierp de door appellante overgelegde hogere renteberekening als onbegrijpelijk en oordeelde dat de toegepaste methode van het Uwv juist was. Daarnaast kon de Raad zich niet uitlaten over aanspraken op vergoeding van kosten en immateriële schade, omdat deze niet in het bestreden besluit waren opgenomen.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat geen sprake was van schade als gevolg van het bestreden besluit en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven. Vergoeding van rente op rente was niet aan de orde omdat het oude Burgerlijk Wetboek van toepassing was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de wettelijke rente over de nabetaalde WAO-uitkering correct is vastgesteld van 7 maart 1990 tot 1 juni 2001 en wijst verdere aanspraken af.