ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid onder de AAW
Appellant vordert herziening van de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op minder dan 25% is vastgesteld. Na een onderzoek door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige werd geconcludeerd dat appellant in staat is om bepaalde functies te vervullen, wat de basis vormde voor de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage.
Appellant betwist dit en voert aan dat zijn voet-, been- en visusklachten hem verhinderen de voorgestelde functies uit te oefenen. Ook stelt hij dat hij niet aan de diploma-eisen voor de functie brugwachter/sluiswachter voldoet. De rechtbank en de Raad hebben echter geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig is uitgevoerd en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor zijn bezwaren.
De Raad acht de medische gegevens en het belastbaarheidspatroon, opgesteld door de verzekeringsartsen en bevestigd door een orthopedisch chirurg, voldoende om te concluderen dat appellant de functies kan vervullen. De diploma-eisen voor de functie brugwachter/sluiswachter waren op het moment van beoordeling nog niet van kracht, waardoor deze functie terecht is meegenomen in de beoordeling.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is volgens de AAW.