ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bruto halfwezenuitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant ontving vanaf oktober 1997 een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na het bereiken van de meerderjarigheid van zijn zoon per 1 november 1998 werd de uitkering beëindigd. Gedaagde, de Sociale verzekeringsbank, vorderde vervolgens het onverschuldigd betaalde bruto bedrag van f 9.678,96 terug over de periode van 1 november 1998 tot 1 september 2000.
Appellant voerde aan dat de terugvordering van het bruto bedrag in strijd was met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, mede vanwege de lange termijn van twintig maanden voordat gedaagde actie ondernam en de financiële nadelige gevolgen door het belastingtariefverschil. Tevens stelde appellant dat artikel 53, vierde lid, van de Anw te beperkt werd toegepast en verwees naar een uitspraak van de Nationale Ombudsman.
De Raad oordeelde dat het besluit tot intrekking van de uitkering rechtens onaantastbaar was en dat de terugvordering op grond van artikel 53 van Pro de Anw verplicht was. De Raad verwierp het beroep op de ombudsmanuitspraak omdat deze betrekking had op civielrechtelijke terugvordering en niet op de Anw. Ook achtte de Raad geen dringende redenen aanwezig om van terugvordering af te zien en bevestigde dat het bruto bedrag terecht werd teruggevorderd. De gestelde schade door appellant kon niet in mindering worden gebracht bij de terugvordering maar diende via een aparte procedure te worden geclaimd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het bruto bedrag van de halfwezenuitkering en wijst het hoger beroep af.