ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet volgemaakte wachttijd
Appellante, voormalig leerlingverpleegster, meldde zich in januari 1997 ziek met zwangerschapsgerelateerde klachten en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering. Deze werd in september 1998 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na een nieuwe ziekmelding in januari 1999 werd zij door het UWV in aanmerking gebracht voor een Ziektewetuitkering, die in november 1999 werd beëindigd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.
Appellante voerde bezwaar aan tegen de intrekking van de WAO-uitkering en de weigering van nieuwe toekenning, maar deze bezwaren werden ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem oordeelde eveneens dat appellante niet arbeidsongeschikt genoeg was en de wachttijd van 52 weken niet had doorlopen.
De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank in haar oordeel. Medische rapportages ondersteunen dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt was en dat haar beperkingen niet zwaarder ingeschat konden worden. Ook het ontbreken van een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid leidt tot bevestiging van de weigering van de WAO-uitkering.
De Raad ziet geen aanleiding om de besluiten van het UWV te vernietigen of de uitspraak van de rechtbank te wijzigen en bevestigt het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en het niet doorlopen van de wachttijd.