ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot niet-ontvankelijk verklaren bezwaar wegens niet tijdige indiening gronden
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van 3 november 2000 waarin zij geen WAO-uitkering werd toegekend. Bij brief van 13 december 2000 werd bezwaar aangetekend, maar met het verzoek om uitstel voor het indienen van de inhoudelijke gronden. Het UWV stuurde op 6 of 7 februari 2001 de relevante stukken toe en verzocht binnen vier weken de gronden in te dienen, met de waarschuwing dat bij niet tijdige indiening het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard.
Appellante diende de gronden op 9 maart 2001 in, wat na de gestelde termijn was. Het UWV verklaarde het bezwaar daarop niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellante dat de eerste brief van 13 december 2000 al een bezwaargrond bevatte, maar de Raad oordeelde dat dit slechts een weergave van het besluit was en dat het verzoek om uitstel juist het ontbreken van gronden bevestigde.
De Raad concludeerde dat het UWV bevoegd was het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de te late indiening van de gronden en dat er geen sprake was van een onjuist gebruik van die bevoegdheid. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van de gronden.