ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4669 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen van besluit inzake WAO zonder nieuwe feiten

Appellant heeft verzocht om terug te komen van een besluit uit 1982 waarin zijn arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 25 tot 35%, terwijl hij meent dat dit ten onrechte is vastgesteld en dat hij recht heeft op een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% vanaf 1 december 1981. Dit verzoek werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) afgewezen en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een verzoek om terug te komen van een eerder besluit alleen gehonoreerd kan worden indien er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. De door appellant aangevoerde klachten en medische stukken bevatten geen nieuwe feiten die een herziening rechtvaardigen.

De Raad stelt vast dat de stelling van appellant over chronische hoofdpijnklachten niet voldoende onderbouwd is en bovendien niet aantoont dat hij recht heeft op een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Daarom was het UWV bevoegd het verzoek af te wijzen en heeft de Raad geen reden om dit besluit aan te tasten.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4669 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 juli 2002, reg.nr. 01/1822 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 29 juni 2004, waar partijen -appellant met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 27 mei 1982 heeft gedaagde de aan appellant verstrekte uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 1 december 1981 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
Bij brief van 7 juni 2000 is namens appellant verzocht dat gedaagde van het besluit van 27 mei 1982 terugkomt, althans in die zin dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid over de periode 1 december 1981 tot 1 november 1983 -zijnde de datum waarop appellant door gedaagde wederom volledig arbeidsongeschikt is geacht- in ieder geval wordt vastgesteld op 45 tot 55%.
Bij besluit van 28 mei 2001 heeft gedaagde dit verzoek van appellant afgewezen.
Het door appellant tegen het besluit van 28 mei 2001 ingediende bezwaarschrift is door gedaagde bij besluit van 5 oktober 2001 -hierna: het bestreden besluit- ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
De Raad overweegt hiertoe als volgt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Appellant heeft aangevoerd aan dat hij vanaf 1980 KNO-klachten heeft en als gevolg van deze klachten vanaf december 1981 ten minste arbeidsongeschikt was naar een mate van 45-55%, zodat indeling in die klasse had moeten plaatsvinden vanaf
1 december 1981.
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant een brief van 8 november 1991 van de psychiater R.C. van der Mast, een brief van 24 februari 2000 van huisarts C.W. Lew en een brief van 26 september 2001 van huisartsenpraktijk Roemeling, Vermeer en Zijlmans, huisartsen te Waspik, overgelegd.
De Raad overweegt dat hetgeen appellant heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin bevat. De hieruit naar voren komende -niet nader onderbouwde en weinig specifieke- stelling dat appellant vanaf 1980 hoofdpijnklachten heeft als gevolg van chronische problemen van de voorhoofdholten, kan niet als zodanig gelden, waarbij de Raad dan nog daarlaat dat uit die stelling op geen enkele wijze blijkt dat appellant aanspraak zou kunnen maken op indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse, zoals verzocht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 27 mei 1982. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Gelet op vorenoverwogene kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, te worden bevestigd.
Voor veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.H.A. Jenniskens.