ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7504

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4669 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering terug te komen van besluit inzake WAO zonder nieuwe feiten of omstandigheden

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda, waarin het verzoek om terug te komen van een eerder besluit inzake de WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) werd afgewezen. Het betreft een besluit van 27 mei 1982, waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellant werd herzien van 80-100% naar 25-35%. Appellant heeft in 2001 verzocht om herziening van dit besluit, maar dit verzoek werd ongegrond verklaard door de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De rechtbank heeft het beroep tegen deze afwijzing eveneens ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak op 29 juni 2004 behandeld, maar appellant is niet verschenen. De Raad overweegt dat volgens artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor herhaalde aanvragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden aangetoond. Appellant heeft echter geen nieuwe feiten of omstandigheden gepresenteerd die een terugkomen van het eerdere besluit zouden rechtvaardigen. De stelling van appellant dat hij sinds 1980 hoofdpijnklachten heeft, werd als onvoldoende onderbouwd beschouwd.

De Raad concludeert dat het Uwv bevoegd was om het verzoek van appellant af te wijzen en dat er geen reden is om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de eerdere besluiten. Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding om een van de partijen in de proceskosten te veroordelen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4669 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 juli 2002, reg.nr. 01/1822 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 29 juni 2004, waar partijen -appellant met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 27 mei 1982 heeft gedaagde de aan appellant verstrekte uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% met ingang van 1 december 1981 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
Bij brief van 7 juni 2000 is namens appellant verzocht dat gedaagde van het besluit van 27 mei 1982 terugkomt, althans in die zin dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid over de periode 1 december 1981 tot 1 november 1983 -zijnde de datum waarop appellant door gedaagde wederom volledig arbeidsongeschikt is geacht- in ieder geval wordt vastgesteld op 45 tot 55%.
Bij besluit van 28 mei 2001 heeft gedaagde dit verzoek van appellant afgewezen.
Het door appellant tegen het besluit van 28 mei 2001 ingediende bezwaarschrift is door gedaagde bij besluit van 5 oktober 2001 -hierna: het bestreden besluit- ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
De Raad overweegt hiertoe als volgt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Appellant heeft aangevoerd aan dat hij vanaf 1980 KNO-klachten heeft en als gevolg van deze klachten vanaf december 1981 ten minste arbeidsongeschikt was naar een mate van 45-55%, zodat indeling in die klasse had moeten plaatsvinden vanaf
1 december 1981.
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant een brief van 8 november 1991 van de psychiater R.C. van der Mast, een brief van 24 februari 2000 van huisarts C.W. Lew en een brief van 26 september 2001 van huisartsenpraktijk Roemeling, Vermeer en Zijlmans, huisartsen te Waspik, overgelegd.
De Raad overweegt dat hetgeen appellant heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin bevat. De hieruit naar voren komende -niet nader onderbouwde en weinig specifieke- stelling dat appellant vanaf 1980 hoofdpijnklachten heeft als gevolg van chronische problemen van de voorhoofdholten, kan niet als zodanig gelden, waarbij de Raad dan nog daarlaat dat uit die stelling op geen enkele wijze blijkt dat appellant aanspraak zou kunnen maken op indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse, zoals verzocht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 27 mei 1982. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Gelet op vorenoverwogene kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, te worden bevestigd.
Voor veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2004.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.H.A. Jenniskens.