ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot herziening van een WAO-uitkering, waarbij hij betoogde dat de berekening van zijn uitkering en vakantiegeld onjuist was en dat er sprake was van ongelijke behandeling bij toepassing van de prorata-breuk.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een herziening rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de door appellant aangevoerde grieven niet anders zijn dan eerder verworpen bezwaren en derhalve niet als nieuwe feiten of omstandigheden kunnen worden aangemerkt. De Raad oordeelt dat het bestuursorgaan terecht van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om het verzoek af te wijzen.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.