Evenals de rechtbank en onder overneming van de door de rechtbank gehanteerde argumenten acht de Raad de bezwaren van appellant ongegrond. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.
Bij haar uitspraak van 24 mei 2000 is de rechtbank ’s-Gravenhage tot vernietiging van het, vooral ook op het rapport van Walburgh Schmidt van 1 juli 1996 gebaseerde, bestreden besluit op bezwaar van 12 januari 1999 overgegaan wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag, met name omdat vanwege gedaagde op geen enkele wijze inhoudelijk op het rapport van Jessurun van 4 augustus 1997 was ingegaan en dus gedaagde de conclusie van Jessurun niet zonder meer naast zich neer had mogen leggen. Vervolgens heeft gedaagde als externe psychiater Van Ittersum ingeschakeld. Deze is na onderzoek van appellant en bestudering van de voorhanden gegevens (met inbegrip van de door Jessurun bij brief van
28 november 2000 op verzoek van Van Ittersum gegeven toelichting) gekomen tot de conclusie dat er geen aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis zijn. Die conclusie is in lijn met de conclusie van Walburgh Schmidt in de ”Beantwoording van de vraagstelling” dat geen duidelijke aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van een psychiatrische stoornis in engere zin volgens DSM-IV. In zijn ”Samenvatting en conclusie” is niet het woord ”duidelijke” opgenomen, maar de Raad ziet in het wel hebben vermeld van dat woord bij de beantwoording geen enkele aanwijzing dat er wel, zij het onduidelijke, aanwijzingen zijn. Op de conclusie van Van Ittersum zou kunnen worden afgedongen dat die niet is toegespitst op de datum thans in geding (overigens: de vraagstelling van Versteeg was daarop evenmin toegespitst), maar daarin ziet de Raad geen beletsel om te komen tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant op de datum in geding een psychiatrische stoornis had, nu Walburgh Schmidt daarvoor op 1 juli 1996 geen aanwijzingen heeft gevonden en het rapport van
Van Ittersum geen gegevens bevat waaruit het nadien zijn ontstaan en ten tijde van de datum in geding nog bestaan daarvan valt aan te nemen. Het rapport van Jessurun, die appellant in de loop van 1997 in behandeling heeft gekregen, van
4 augustus 1997 is zeer summier, evenals het rapport van Jessurun van 28 november 2000, terwijl Van Ittersum blijkens zijn uitgebreide rapport met de inhoud daarvan bekend is geweest, doch daarin geen aanleiding heeft gevonden tot een ander oordeel te komen dan hiervoor vermeld. De Raad kent aan het oordeel van Van Ittersum, die ook regelmatig als onafhankelijke deskundige door de rechtbank ’s-Gravenhage en de Raad wordt ingeschakeld, meer betekenis toe dan aan het slechts summier onderbouwde oordeel van Jessurun als appellant behandelend psychiater.
In de opmerking van Walburgh Schmidt dat appellant in een vicieuze cirkel terecht is gekomen waaruit hij niet op eigen kracht uit lijkt te kunnen komen, ziet de Raad anders dan appellant geen aanleiding om verschil van inzicht met Van Ittersum aan te nemen. Bij die cirkel is, zoals Walburgh Schmidt heeft aangegeven, sprake van een psychologische reactie op het verlies van fysieke integriteit die door appellat als bedreigend wordt ervaren en zich uit in theatraal regressief gedrag en somatisatie. Van ziekte of gebrek in de zin van de WAO kan daarbij niet worden gesproken.
De met het oog op de hoorzitting door Jessurun afgegeven nadere verklaring van 25 april 2001 bevat geen nieuwe gegevens en geeft dan ook geen aanleiding tot een ander oordeel.