ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7906
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over gezamenlijke huishouding en beëindiging bijstandsuitkering
Gedaagde ontving sinds oktober 2001 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Na een onderzoek bleek dat gedaagde en zijn partner sinds juni 2002 samenwoonden op hetzelfde adres, waaruit ook een kind werd geboren. Op grond hiervan werd de uitkering per 1 maart 2003 beëindigd vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank had het beroep van gedaagde gegrond verklaard omdat zij oordeelde dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de feitelijke woonsituatie, mede omdat de partner verklaarde niet op het adres te hebben gewoond. Gedaagde stelde dat de inschrijving van de partner op het adres was gedaan op verzoek van een buurvrouw.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde anders dan de rechtbank en stelde vast dat de inschrijving en een schriftelijke verklaring van de hoofdbewoner voldoende bewijs vormden dat gedaagde en zijn partner hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het beroep van gedaagde ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en het betaalde griffierecht werd terugbetaald aan de gemeente.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van gedaagde is terecht beëindigd vanwege gezamenlijke huishouding.