ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8764

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2846 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3, tweede lid Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUBO-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting Nederlands-Indië

De erven van betrokkene hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad om de aanvraag voor een WUBO-uitkering af te wijzen. Betrokkene had een aanvraag ingediend op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, met het verzoek om erkenning als vervolgde vanwege de Japanse bezetting van Nederlands-Indië.

De Raad oordeelde dat de omstandigheden waaronder betrokkene de bezetting heeft meegemaakt niet kwalificeren als vervolging volgens artikel 2 van Pro de Wet. Betrokkene heeft geen vrijheidsberoving ondergaan zoals bedoeld in de wet, en het genoemde kamp Sumber Waras was een opvangkamp zonder de kenmerken van een interneringskamp met vrijheidsberoving.

Ook de mogelijkheid tot gelijkstelling met een vervolgde op grond van bijzondere omstandigheden (artikel 3, tweede lid) werd onderzocht. Medisch onderzoek toonde geen ziekten of gebreken aan die redelijkerwijs konden worden toegeschreven aan de internering en het overlijden van betrokkene's vader. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WUBO-uitkering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

03/2846 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van [naam betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats], eisers,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 27 mei 2003, kenmerk JZ/D70/2003/0333, heeft verweerster ten aanzien van thans wijlen [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft betrokkene op bij beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Betrokkene is op 10 oktober 2003 overleden, waarna het geding ten name van eisers is voortgezet.
Het geding is, gevoegd met het geding nr. 03/200 WUBO tussen eisers en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, behandeld ter zitting van de Raad op 15 juli 2004. Aldaar zijn eisers niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I. Wolfert, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
In januari 2002 heeft betrokkene, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet.
Bij besluit van 14 oktober 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond - kort gezegd - dat de omstandigheden waaronder betrokkene de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet kunnen worden gebracht en als zodanig ook niet kunnen leiden tot gelijkstelling met de vervolgde op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet.
De Raad overweegt als volgt.
Blijkens artikel 2 van Pro de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan:
handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
Op grond van de voorhanden gegevens - waaronder gegevens betreffende de moeder van betrokkene en zijn broer
[naam broer] - staat vast dat betrokkene tijdens de bezettings-jaren geen vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Het door betrokkene genoemde kamp Sumber Waras te Lawang was een opvangkamp voor vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan.
Verweerster heeft - met het oog op de in artikel 3, tweede lid, van de Wet vervatte mogelijkheid om onder bijzondere omstandigheden de persoon die niet voldoet aan artikel 2 van Pro de Wet met de vervolgde gelijk te stellen - nog doen nagaan of bij betrokkene sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs zijn toe te schrijven aan het in Japanse internering overlijden van zijn vader. Bij vanwege verweerster verricht medisch onderzoek van betrokkene - ten laatste door de psychiater H.S.R. Witte - zijn zodanige ziekten of gebreken evenwel niet vastgesteld.
De voorhanden gegevens bieden de Raad geen aanknopingspunt om aan de juistheid van die conclusie te twijfelen.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en
mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
26 augustus 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) L. Karssenberg.