ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van dwingendrechtelijke vaststelling minimumpremie AOW/Anw ondanks laag inkomen
Appellant betwistte de hoogte van de minimumpremie voor zijn vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet (AOW/Anw). Hij stelde dat de premie hoger was dan zijn inkomen en dat dit onredelijk was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de minimumpremie volgens het Koninklijk Besluit 224 van 8 mei 2001 dwingend is vastgesteld en niet kan worden verlaagd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn onmacht om aan de verplichtingen te voldoen en met bijzondere omstandigheden. De Centrale Raad van Beroep overwoog echter dat het lage inkomen van appellant geen bijzondere omstandigheid vormt die afwijking van de dwingendrechtelijke bepalingen rechtvaardigt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het beroep. Er was geen grond aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De minimumpremie is correct berekend en de dwingendrechtelijke aard van de regeling laat geen ruimte voor afwijking.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minimumpremie dwingend is vastgesteld en geen afwijking mogelijk is ondanks het lage inkomen van appellant.