ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8884

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2450 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens te late motivering

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van 26 maart 2001 en gaf aan de motivering spoedig toe te zenden. Gedaagde verzocht om de motivering binnen vier weken in te dienen en waarschuwde dat bij niet-tijdige indiening het bezwaar niet-ontvankelijk zou worden verklaard. De motivering werd echter pas na de gestelde termijn ontvangen, waarna het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard.

De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring en de Centrale Raad van Beroep moest beoordelen of dit terecht was. Appellante voerde aan dat gedaagde in een andere procedure uitstel had gegeven wegens een beoordelingsfout, maar de Raad oordeelde dat dit geen verplichting tot herhaling van die fout in deze zaak opleverde.

Omdat de motivering niet tijdig was ingediend en er geen sprake was van een onjuist gebruik van bevoegdheid door gedaagde, werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening van de motivering.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/2450 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. J.L. Aarts, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2002, nummer AWB 01/3072 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 juli 2004, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Aarts en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij brief van 7 mei 2001 is namens appellante bezwaar gemaakt tegen een besluit van 26 maart 2001. In de brief staat dat de motivering voor het bezwaar zo spoedig mogelijk zal worden toegezonden.
Bij brief van 29 mei 2001 heeft gedaagde de gemachtigde verzocht binnen vier weken na de dag van verzending van die brief een nadere motivering voor het bezwaar in te dienen. Gedaagde heeft voorts in die brief erop gewezen dat, indien de motivering niet binnen de gestelde termijn is ontvangen, het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Bij faxbrief van 28 juni 2001 heeft appellantes gemachtigde de gronden waarop het bezwaar berust ingediend.
Bij besluit van 16 juli 2001, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat de motivering voor het bezwaar uiterlijk op 26 juni 2001 ontvangen had moeten zijn maar dat deze eerst op 28 juni 2001 is ontvangen.
De rechtbank heeft zich blijkens de aangevallen uitspraak kunnen verenigen met de in het bestreden besluit neergelegde niet-ontvankelijkverklaring.
De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
De Raad overweegt dat de omstandigheid dat gedaagdes kantoor te Groningen in een andere procedure op grond van een beoordelingsfout wel een aanvullend uitstel heeft gegeven, niet meebrengt dat gedaagde gehouden is die fout dan ook in het geval van appellante te herhalen.
Nu voorts niet betwist is dat de gronden voor het bezwaar niet uiterlijk op 26 juni 2001 zijn ingediend, was gedaagde bevoegd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad is niet gebleken dat gedaagde een rechtens onjuist gebruik van die bevoegdheid heeft gemaakt.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.