ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks administratieve vertraging
Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van juni 1998 tot maart 2000. Gedaagde, het UWV, had deze terugvordering ingesteld na constatering van een fout in de uitkeringsadministratie.
Appellant voerde aan dat de terugvordering onterecht was vanwege administratieve traagheid bij het UWV en dat hij te goeder trouw had meegewerkt aan zijn werkhervatting. Tevens stelde hij dat het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel waren geschonden.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het UWV gehouden was tot terugvordering op grond van artikel 57 van Pro de WAO. De Raad vond geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien, ook niet vanwege de administratieve vertraging. De terugvordering werd daarom bevestigd, waarbij de Raad benadrukte dat fouten in de administratie niet leiden tot ontheffing van terugvordering.
De uitspraak onderstreept het belang van strikte naleving van wettelijke terugvorderingsregels en beperkt de ruimte voor afwijking bij administratieve fouten, tenzij zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigde WAO-uitkering en wijst het hoger beroep van appellant af.