ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8962

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2970 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.G.M. Simons
  • M.I. ’t Hooft
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a ABWArt. 84a ABWArt. 14 ABW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt terugvordering ten onrechte verleende bijstand op verzwegen partner

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van 9 oktober 2001 waarbij zijn bezwaar tegen de terugvordering van bijstand werd afgewezen. Het ging om bijstand die aan zijn ex-echtgenote was verleend over de periode van 20 april 1993 tot en met 30 november 1996. De Raad verwees naar een samenhangende zaak waarin werd geoordeeld dat de ex-echtgenote tot 1 juni 1996 recht had op bijstand, maar daarna niet meer in de gemeente Kerkrade woonde en dus geen recht meer had.

De Raad oordeelde dat de terugvordering van bijstand op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) niet kan worden toegepast voor de periode vanaf 1 juni 1996, omdat de ex-echtgenote toen geen recht meer had op bijstand in de gemeente Kerkrade. Dit betekent dat ook appellant niet aansprakelijk kan worden gesteld voor terugvordering over die periode.

Daarom vernietigde de Raad het besluit van 9 oktober 2001 en het primaire besluit van 5 januari 1998 dat mede op dezelfde onjuiste grondslag was gebaseerd. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente Kerkrade tot betaling van de proceskosten en het griffierecht van appellant.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de ABW en de voorwaarden voor terugvordering van bijstand, met name de vereiste woonplaats en het recht op bijstand van de betrokken personen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot terugvordering van bijstand worden vernietigd.

Uitspraak

02/2970 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 april 2002, reg.nr. 01/1517 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 02/2946 NABW, behandeld ter zitting van 8 juni 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer, en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Bij besluit van 5 januari 1998 heeft gedaagde met toepassing van artikel 59a, tweede en derde lid, van de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW) de gemaakte kosten van de over de periode van 20 april 1993 tot en met 30 november 1996 aan zijn gewezen echtgenote, [ex-echtgenote] (hierna: [ex-echtgenote]), verstrekte bijstand tot een bedrag van
f 84.067,24 mede van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 januari 1998 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2001 ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Daarbij is onder meer aangevoerd dat in dit geval artikel 59a, tweede lid, van de ABW geen grondslag biedt voor terugvordering mede van appellant.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Bij uitspraak van heden in de zaak met reg.nr. 02/2946 NABW inzake het hoger beroep van [ex-echtgenote] heeft de Raad geoordeeld dat er geen grond is om het recht op bijstand van [ex-echtgenote] over de periode tot 1 juni 1996 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van haar terug te vorderen. Reeds daarom kan over die periode hoe dan ook eveneens geen sprake zijn van terugvordering door gedaagde mede van appellant.
In die uitspraak heeft de Raad tevens geoordeeld dat [ex-echtgenote] van 1 juni 1996 tot en met 30 november 1996 haar feitelijke hoofdverblijf niet in de gemeente Kerkrade had. Dit betekent dat [ex-echtgenote] ingevolge artikel 14 van Pro de ABW over die periode jegens gedaagde geen recht meer had op bijstand, alsmede dat om die reden niet meer aan gedaagde ter beoordeling staat of [ex-echtgenote] in de gemeente waar zij wel woonplaats heeft een gezamenlijke huishouding voert.
Dit laatste brengt mee dat over de periode van 1 juni 1996 tot en met 30 november 1996 niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de ABW, zodat de over die periode aan [ex-echtgenote] ten onrechte verleende bijstand niet op grond van die bepaling mede van appellant kan worden teruggevorderd. Voor de toepas-selijkheid van artikel 59a, tweede lid, van de ABW - en hetzelfde geldt voor artikel 84a, tweede lid, van de Abw - is immers allereerst vereist dat de van de bijstandsgerechtigde teruggevorderde bijstand door het bijstandverlenende orgaan (in dit geval gedaagde) als gezinsbijstand had moeten worden verleend, respectievelijk dat bij de beoordeling van het recht op bijstand rekening had moeten worden gehouden met de middelen van de verzwegen partner. Daarvan is in dit geval echter geen sprake, nu gedaagde - terecht - heeft vastgesteld dat [ex-echtgenote] vanaf 1 juni 1996 niet langer woonplaats had in de gemeente Kerkrade, zodat [ex-echtgenote] over de periode van 1 juni 1996 tot en met
30 november 1996 in het geheel geen recht op bijstand had jegens de gemeente Kerkrade.
Uit het voorgaande vloeit voort dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2001 gegrond dient te worden verklaard en dat besluit wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. De Raad zal tevens zelf in de zaak voorzien en het - primaire - besluit van 5 januari 1998 vernietigen, nu dit op dezelfde onjuist gebleken grondslag berust.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het in deze zaak en in de zaak met reg.nr. 02/2946 NABW om samenhangende zaken gaat.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 9 oktober 2001;
Vernietigt het besluit van 5 januari 1998;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Kerkrade;
Bepaalt dat de gemeente Kerkrade aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal
€ 109,81 (f 242,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ’t Hooft en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
GdJ/268