ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt terugvordering ten onrechte verleende bijstand op verzwegen partner
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van 9 oktober 2001 waarbij zijn bezwaar tegen de terugvordering van bijstand werd afgewezen. Het ging om bijstand die aan zijn ex-echtgenote was verleend over de periode van 20 april 1993 tot en met 30 november 1996. De Raad verwees naar een samenhangende zaak waarin werd geoordeeld dat de ex-echtgenote tot 1 juni 1996 recht had op bijstand, maar daarna niet meer in de gemeente Kerkrade woonde en dus geen recht meer had.
De Raad oordeelde dat de terugvordering van bijstand op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) niet kan worden toegepast voor de periode vanaf 1 juni 1996, omdat de ex-echtgenote toen geen recht meer had op bijstand in de gemeente Kerkrade. Dit betekent dat ook appellant niet aansprakelijk kan worden gesteld voor terugvordering over die periode.
Daarom vernietigde de Raad het besluit van 9 oktober 2001 en het primaire besluit van 5 januari 1998 dat mede op dezelfde onjuiste grondslag was gebaseerd. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente Kerkrade tot betaling van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van de ABW en de voorwaarden voor terugvordering van bijstand, met name de vereiste woonplaats en het recht op bijstand van de betrokken personen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot terugvordering van bijstand worden vernietigd.