ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Ontvangstbesluit WW-uitkering niet vastgesteld, terugverwijzing naar rechtbank
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) betreffende de intrekking van zijn WW-uitkering en terugvordering van te veel betaalde uitkeringen. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2001 niet-ontvankelijk omdat zij aannam dat appellant het besluit had ontvangen en de bezwaartermijn was verstreken.
Appellant stelde echter dat hij het besluit nooit had ontvangen en dat het besluit niet aangetekend was verzonden. De Raad overwoog dat het risico van niet-aangetekend verzenden voor rekening van de afzender komt en dat bij ontkenning van ontvangst zonder bewijs van verzending het bezwaar niet als te laat kan worden aangemerkt.
De Raad stelde vast dat het besluit van 6 november 2001 niet voldoende aannemelijk was ontvangen en dat het bezwaar van appellant van 27 december 2001 tijdig was ingediend tegen het besluit dat op 23 november 2001 opnieuw werd verzonden. Daarom vernietigde de Raad het oordeel van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.
Daarnaast veroordeelde de Raad het Uwv voorwaardelijk in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van bewijs van ontvangst bij bestuursbesluiten en de bescherming van de bezwaarrechten van betrokkenen.
Uitkomst: De ontvangst van het besluit is niet komen vast te staan, het bezwaar is tijdig ingediend en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.