ECLI:NL:CRVB:2004:AQ9357

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/43 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsonge-schiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende belastbaarheid en geschikte functies

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om zijn WAO-uitkering in te trekken per 25 november 2001, omdat hij volgens het Uwv minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de belastbaarheid en de geselecteerde functies passend waren.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. Uit een medisch rapport van de chirurg-traumatoloog blijkt dat de enkelfractuur van appellant goed is genezen en dat hij een goede functie van het gewricht heeft, hoewel zwaar enkelbelastend werk vermeden dient te worden. De geselecteerde functies vereisen geen langdurig staan of lopen en geen zwaar tillen, wat aansluit bij de beperkingen van appellant.

De Raad achtte geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beoordeling en vond geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is en geschikte functies beschikbaar zijn.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/43 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. J.C. Verwijs, handelend onder de naam Bureau voor Arbeidsrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 november 2002, nummer 02/1192 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 juli 2004, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Verwijs, terwijl namens gedaagde is verschenen J.B. Snoek, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 4 juni 2002, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 2 oktober 2001, waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsonge-schiktheidsverzekering (WAO), die tot dan toe was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 november 2001 is ingetrokken omdat appellant met ingang van die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is uiteengezet waarom de rechtbank zich met de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts geaccordeerde belastbaarheid van appellante heeft kunnen verenigen en waarom rechtbank de voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt acht op de datum in geding.
De Raad dient thans de vraag te beantwoorden of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij kan zich met oordeel van de rechtbank en met overwegingen waarop dat oordeel steunt, verenigen.
In hoger beroep is overgelegd een rapport van 24 maart 2003 van de chirurgtraumatoloog dr. J.P.A.M. Vroemen die appellant in 1997 in verband met een enkelfractuur heeft geopereerd.
Uit dat rapport blijkt dat de fractuur goed is geconsolideerd, dat appellant daarna weliswaar nooit geheel klachtenvrij is geweest maar dat er een goede functie van het gewricht is met een goed looppatroon. Volgens dr. Vroemen dient appellant zwaar enkelbelastend werk te vermijden.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant onder meer geschikt wordt geacht voor de functies printmonteur, lederwarenmaker (exclusief kleding) chauffeur bestelauto en medewerker vul- en stikwerk matrassen/ dekbedden. Uit de functiebeschrijvingen blijkt dat appellant in geen van die functies langdurig behoeft te staan of te lopen, terwijl ook geen zware lasten behoeven te worden gedragen.
Voorts blijkt dat de verzekeringsartsen op het door dr. Vroemen aangegeven punt appellant hebben beperkt wat betreft de belastbaarheid.
Het rapport van dr. Vroemen, waaruit zeker niet valt af te leiden dat appellant op de datum in geding niet kon werken, heeft de Raad dan ook niet tot een ander standpunt kunnen brengen.
De aangevallen uitspraak is naar het oordeel van de Raad met juistheid gewezen; zij komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2004.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
MR