ECLI:NL:CRVB:2004:AQ9865

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4216 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens eigen toedoen niet behouden passende arbeid

In deze zaak staat centraal of appellant terecht een blijvende volledige weigering van de WW-uitkering heeft gekregen omdat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De Raad baseert zich op de Werkloosheidswet zoals die gold ten tijde van het geschil en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam.

Appellant was teleurgesteld over het aanbod van een verlenging van zijn contract voor zes maanden zonder loonsverhoging in plaats van een dienstverband voor onbepaalde tijd. De Raad oordeelt echter dat het weigeren van dit aanbod van passende arbeid onacceptabel is vanuit het perspectief van de WW. De verantwoordelijkheid voor het niet voortzetten van het dienstverband ligt bij appellant.

Er zijn geen omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op de maatregel van blijvende volledige weigering van de uitkering. Ook is er geen reden voor een proceskostenveroordeling. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens eigen toedoen van appellant.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4216 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, op de gronden aangegeven in het beroepschrift hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 9 juli 2002 tussen partijen gewezen uitspraak,
reg. nr. AWB 02/1092 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 4 augustus 2004, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Sowka, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling van het voorliggende geschil.
Het gaat in dit geding -kort gezegd- om de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit d.d. 2 mei 2001 terecht zijn besluit van 11 december 2000 heeft gehandhaafd bij welk besluit gedaagde heeft aangenomen dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde van de WW en om die reden de door appellant aangevraagde WW-uitkering per 1 november 2000 blijvend geheel heeft geweigerd.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Ook de Raad acht het begrijpelijk dat appellant teleurgesteld was over het feit dat hem geen dienstverband voor onbepaalde tijd werd aangeboden, maar een verlenging van zijn contract voor zes maanden zonder loonsverhoging. Vanuit een oogpunt van de WW echter moet het weigeren op een dergelijk aanbod van passende arbeid in te gaan als onacceptabel worden aangemerkt. Dat appellant het zinloos achtte te proberen met deze werkgever nieuwe afspraken te maken, dient voor rekening en risico van appellant te blijven en kan niet ten laste van de werkloosheidsfondsen worden gebracht. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om uit het namens appellant aangevoerde af te leiden dat er sprake is van een verminderde verwijtbaarheid, laat staan het geheel ontbreken daarvan. Voorts is de Raad van oordeel dat er geen omstandigheden zijn aangevoerd die moeten leiden tot de conclusie dat gedaagde met het oog op dringende redenen gehouden zou zijn om af te zien van het opleggen van de maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
25 augustus 2004.
(get.) H. Bolt
(get.) A. de Gooijer