ECLI:NL:CRVB:2004:AR1407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap Nederland
Appellante vorderde kinderbijslag over het derde kwartaal van 2001 tot en met het eerste kwartaal van 2002. De Sociale Verzekeringsbank weigerde dit omdat zij niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad overweegt dat ingezetenschap wordt beoordeeld aan de hand van sociale, juridische en economische binding met Nederland. Hoewel appellante een verblijfsvergunning had en ingeschreven stond in het GBA, was haar economische en sociale binding met Nederland onvoldoende. Zij was economisch volledig afhankelijk van haar partner en had geen eigen inkomen. Het volgen van een inburgeringscursus was onvoldoende om sociale binding aan te nemen.
Voorts oordeelt de Raad dat het primaire besluit van 7 februari 2002, waarin kinderbijslag werd toegekend maar ook werd gemotiveerd dat er geen recht bestond, tegenstrijdig was en geen rechtmatig vertrouwen wekte. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het beroep in hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van ingezetenschap van appellante in Nederland.