ECLI:NL:CRVB:2004:AR1575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onterechte schending zorgvuldigheidsvereiste bij WAO-toekenning
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank die het WAO-toekenningsbesluit aan gedaagde vernietigde wegens schending van het zorgvuldigheidsvereiste. Gedaagde had bezwaar gemaakt tegen het besluit waarin zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering was toegekend, stellende dat hij vóór het einde van de wachttijd weer geschikt was voor zijn werk.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende informatie had ingewonnen bij de bedrijfsarts en de behandelend specialist, waardoor het besluit onvoldoende zorgvuldig zou zijn genomen. Het UWV stelde daartegen dat er voldoende gegevens beschikbaar waren om een verantwoord besluit te nemen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank te lichtvaardig heeft geoordeeld en dat het UWV wel degelijk over voldoende gegevens beschikte om het besluit te nemen. De Raad stelt vast dat gedaagde gedurende een lange periode zijn werk niet of slechts gedeeltelijk had verricht en dat volledige geschiktheid per einde wachttijd nog niet aan de orde was. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het hoger beroep van het UWV gegrond verklaard.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard, waardoor het WAO-toekenningsbesluit gehandhaafd blijft.