ECLI:NL:CRVB:2004:AR1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant heeft bijstandsuitkering aangevraagd, maar deze werd afgewezen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef zoals vereist volgens de Algemene bijstandswet (Abw). De rechtbank Utrecht oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand omdat hij geen vreemdeling was in de zin van de Vreemdelingenwet en niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlander. Tevens werd geoordeeld dat er geen onrechtvaardig onderscheid naar nationaliteit werd gemaakt en dat de weigering niet in strijd was met het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand.
Appellant stelde in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden aan, waarop de Centrale Raad van Beroep de overwegingen van de rechtbank onderschreef. De Raad benadrukte dat appellant na 1 juli 1998 om toelating had verzocht en dat de Koppelingswetgeving in de Abw volledig op hem van toepassing is. De Raad zag geen reden om het besluit te wijzigen of proceskosten toe te wijzen.
De uitspraak werd op 2 september 2004 in het openbaar gewezen door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep en bevestigt de eerdere afwijzing van de bijstandsuitkering.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf wordt bevestigd.