ECLI:NL:CRVB:2004:AR1990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 1 januari 1998 een AOW-uitkering volgens de norm voor een ongehuwde. Na een melding over samenwoning werd een onderzoek ingesteld, waarna gedaagde op 7 juli 2000 het pensioen herzag naar de gehuwdennorm, omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner. De bezwaren en het beroep tegen deze besluiten werden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van de AOW-wetgeving een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert gelijkgesteld wordt met een gehuwde. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat appellant vanaf 1 januari 1998 niet recht had op de ongehuwdennorm, omdat hij aan de objectieve criteria van gezamenlijke huishouding voldeed.
Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten aan die tot een ander oordeel konden leiden. Ook waren er geen dringende redenen om van herziening af te zien. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de AOW-uitkering naar de gehuwdennorm wegens gezamenlijke huishouding.