ECLI:NL:CRVB:2004:AR2120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Deze uitkering werd bij besluit van 16 februari 2000 met ingang van 1 januari 2000 beëindigd omdat appellant vanaf 10 december 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep heeft appellant dit bestreden.
De Raad overwoog dat volgens de Anw sprake is van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zorg dragen voor elkaar, onder andere door een bijdrage aan de huishoudkosten. Uit het onderzoek, waaronder een huisbezoek en ingevulde checklists, bleek dat de partner van appellant haar hoofdverblijf had in de woning van appellant in de relevante periode, ondanks dat appellant stelde dat zij vooral overdag elders verbleef.
Op grond van deze feiten en de toepasselijke wettelijke bepalingen oordeelde de Raad dat de intrekking van de nabestaandenuitkering terecht was. Er waren geen dringende redenen om van intrekking af te zien. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 januari 2000 wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.