ECLI:NL:CRVB:2004:AR2226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- G.J.H. Doornewaard
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens toedoen appellant
Appellant ontving vanaf 1984 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de AAW en WAO. Na herzieningen van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage in verband met zijn werkzaamheden bij het Ministerie van Justitie, stelde het UWV vast dat appellant onverschuldigd WAO-uitkering had ontvangen over de periode van 23 juni 1991 tot en met 31 oktober 1993.
Na een vernietiging van een eerder besluit door de rechtbank, stelde het UWV nieuwe besluiten vast, waarbij de terugvordering werd beperkt tot de periode van 23 juni 1991 tot en met 31 juli 1993. Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat het besluit in strijd was met het ne bis in idem-beginsel en dat de terugvordering was verjaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing was en dat de terugvordering binnen de vijfjaarstermijn van artikel 57 WAO Pro viel, gerekend vanaf de eerste terugvorderingshandeling in november 1993. Tevens stond vast dat appellant door toedoen de onverschuldigde uitkering had ontvangen, waardoor terugvordering gerechtvaardigd is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering wegens toedoen en wijst het hoger beroep af.