ECLI:NL:CRVB:2004:AR2229

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/37 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • W.M. Levelt-Overmars
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering ziekengeld wegens onvoldoende medische grondslag voor arbeidsongeschiktheid

De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een werknemer die sinds 14 december 2000 ziekgemeld was na een conflict en ontslag bij zijn werkgever. Het UWV had per 4 juni 2001 het ziekengeld stopgezet omdat de werknemer volgens verzekeringsartsen niet langer arbeidsongeschikt was.

De rechtbank Zutphen had het besluit van het UWV vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering en onvoldoende medische onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep heeft dit vonnis echter vernietigd en het beroep van het UWV ongegrond verklaard. De Raad oordeelde dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, die ook overleg had gepleegd met de huisarts, een voldoende medische grondslag bood om aan te nemen dat de werknemer zijn werk kon hervatten.

De Raad benadrukte dat zowel fysieke als psychische klachten waren meegewogen en dat geen tegenstrijdige medische gegevens waren aangevoerd. Hierdoor was het bestreden besluit rechtmatig en behoorde het in stand te blijven. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 8 september 2004.

Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van ziekengeld blijft in stand.

Uitspraak

03/37 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 28 mei 2001 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan hem met ingang van 4 juni 2001 geen ziekengeld meer is toegekend, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Bij besluit van 2 augustus 2001 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van gedaagde tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 29 november 2002 (reg.nr. 01/1255 ZW 61) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 28 juli 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde is op 15 juni 2000 voor een periode van een half jaar gaan werken bij Bar Twinns BV te Hierden. Op 14 december 2000 heeft gedaagde zich ziek gemeld bij appellants administratie. Hij heeft gesteld dat hij na een conflict met zijn werkgever op 13 oktober 2000, waarbij hij op staande voet is ontslagen, overspannen is geworden en sindsdien arbeidsongeschikt was. Gedaagde heeft terzake van dit ziektegeval verschillende keren het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die hem blijkens het afschrift van de medische kaart op 28 mei 2001 per 4 juni 2001 hersteld achtte. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 mei 2001 is aan gedaagde dienovereenkomstig met ingang van 4 juni 2001 geen ziekengeld meer toegekend.
In dit geding is aan de orde de vraag of aan gedaagde terecht met ingang van 4 juni 2001 geen ziekengeld meer is toegekend.
De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit gebaseerd op een ondeugdelijke motivering, zodat het wegens schending van artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking kwam. De rechtbank achtte in het rapport van
30 juli 2001 van de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter een onvoldoende onderbouwing van het bestreden besluit gelegen, omdat - in aanmerking nemend dat gedaagde volgens de bezwaarverzekeringsarts wel het een en ander mankeerde op de in geding zijnde datum - kennelijk onvoldoende is aangetoond dat gedaagdes gezondheidstoestand op dat tijdstip zodanig was gewijzigd, dat hij anders dan voorheen weer geschikt was voor zijn werk.
De Raad beantwoordt de hiervoor opgeworpen vraag anders dan de rechtbank bevestigend.
Uit voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat appellant op het spreekuur van 29 juni 2001 een verzorgde indruk maakte en dat hij adequaat en alert reageerde. Wel was sprake van - ook door de huisarts bevestigde - problemen rond echtscheiding, moeilijke woonsituatie, ontslag en dergelijke, waardoor gedaagde volgens de bezwaarverzekeringsarts kennelijk mentaal in onbalans was geraakt. Hoewel gedaagde ook last had van in dat rapport met name genoemde fysieke klachten, achtte de bezwaarverzekeringsarts geen voldoende medische grondslag aanwezig om aan te nemen dat gedaagde zijn werk niet zou kunnen verrichten.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat dit rapport blijk geeft van een voldoende afweging van de relevante medische aspecten. Zowel aan de fysieke als aan de psychische klachten van gedaagde is in voormeld rapport aandacht besteed.
De bezwaarverzekeringsarts heeft bovendien overleg gepleegd met gedaagdes huisarts, en is dus niet uitsluitend op zijn eigen bevindingen afgegaan. Dit overziende en in aanmerking nemend dat geen medische gegevens beschikbaar zijn die in een andere richting wijzen, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. De Raad ziet derhalve geen grond om dit besluit niet in stand te laten.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van
mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 september 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
Gw