ECLI:NL:CRVB:2004:AR2256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking WAO-uitkering wegens detentie en verblijf psychiatrisch instituut
Appellant, een WAO-uitkeringsgerechtigde, verbleef vanaf mei 2000 in detentie en later in een psychiatrisch instituut. De uitkering werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ingetrokken met ingang van 9 september 2000. Appellant stelde dat zijn detentie en verblijf in het psychiatrisch instituut geen reden konden zijn voor intrekking van de premiegerelateerde WAO-uitkering en voerde tevens strijd met internationale verdragsbepalingen en het gelijkheidsbeginsel aan.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven en voerde aan dat de Uwv geen overgangstermijn van zes maanden in acht had genomen. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld of appellant op 1 mei 2000 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, waardoor het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek vertoonde en vernietiging in aanmerking kwam.
Voorts overwoog de Raad dat, indien appellant op genoemde datum rechtens zijn vrijheid was ontnomen, de intrekking van de WAO-uitkering zonder een voldoende overgangstermijn in strijd was met het Eerste Protocol bij het EVRM, met name de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Raad oordeelde dat een overgangstermijn van zes maanden wel in overeenstemming zou kunnen zijn met deze verdragsbepaling.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, bepaalde dat de Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, en veroordeelde de Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het terugbetalen van het door appellant gestorte recht van €109,23.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.