ECLI:NL:CRVB:2004:AR2258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit over fictieve opzegtermijn WW-uitkering
Appellant was sinds 1 maart 1988 tot 1 januari 1993 in dienst bij een werkgever en trad vervolgens per 1 januari 1993 in dienst bij een andere werkgever, waarbij dienstjaren werden meegenomen. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 september 1999 vroeg appellant een WW-uitkering aan. Het UWV wees de uitkering deels af wegens een fictieve opzegtermijn van drie maanden.
Appellant stelde dat de fictieve opzegtermijn één maand bedroeg, gebaseerd op de duur van zijn dienstverband en de toepasselijke artikelen van het Burgerlijk Wetboek en de WW. Het UWV verdedigde het standpunt dat de arbeidsovereenkomst langer dan tien jaar duurde door toepassing van overgang van onderneming, waardoor een fictieve opzegtermijn van drie maanden gold.
De Raad oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de overgang van onderneming en dat het UWV-standpunt onvoldoende grondslag had. Tevens bevestigde de Raad dat de Wet Flexibiliteit en Zekerheid niet van toepassing is op de fictieve opzegtermijn in dit kader. Daarom werden de eerdere uitspraak en het besluit vernietigd en werd het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen zonder toepassing van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid.