ECLI:NL:CRVB:2004:AR2260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering na beëindiging zelfstandige onderneming wegens ontbreken arbeidsurenverlies
Appellant ontving een WAO-uitkering en exploiteerde daarnaast een zelfstandige horecazaak. Na een herziening van zijn WAO-uitkering in 1999 zette hij zijn werkzaamheden voort tot de beëindiging van de onderneming op 1 oktober 2000. Hij vroeg daarop een WW-uitkering aan, die werd afgewezen omdat er geen sprake was van arbeidsurenverlies vanuit een dienstbetrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant als zelfstandige geen arbeidsurenverlies als werknemer had en bovendien geen aanvraag had gedaan op het moment dat mogelijk werkloosheid was ingetreden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en voegt toe dat appellant niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, een vereiste voor het ontstaan van WW-recht.
Appellant voerde aan dat hij wel beschikbaar was en dat hij onvoldoende was voorgelicht, maar de Raad achtte deze grieven onvoldoende onderbouwd. De brief van de arbeidsdeskundige maakte duidelijk dat appellant tijdig een aanvraag moest indienen en actief naar passend werk moest zoeken. De Raad concludeert dat appellant bewust heeft afgezien van het aanvragen van een WW-uitkering en bevestigt de afwijzing van zijn aanvraag.
Uitkomst: De afwijzing van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat geen sprake is van arbeidsurenverlies als werknemer en geen herleving van eerder recht.