ECLI:NL:CRVB:2004:AR2324

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5219 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs vervolging

Eiser verzocht om toekenning van een periodieke uitkering als weduwnaar van betrokkene, die tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd zou zijn geweest. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 had ondergaan.

Eiser stelde in beroep dat betrokkene geïnterneerd was in het kamp Idjen Boulevard te Malang, maar de Raad vond dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Een sociaal rapport, opgesteld voor een aanvraag van een broer van betrokkene, verklaarde dat betrokkene en diens moeder buiten het kamp waren gebleven.

De verklaring van pastoor Borgreve O’Carm, overgelegd door eiser, werd door de Raad niet doorslaggevend geacht. Er waren geen objectieve gegevens die tot een ander oordeel leidden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5219 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], Malang (Indonesië), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 maart 2003, kenmerk JZ/W60/2003/0185, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juli 2004. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser in augustus 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwnaar van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene). In dat verband heeft eiser gesteld dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting gëinterneerd is geweest in het kamp Idjen Boulevard te Malang.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 20 december 2002, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Die vraag wordt door de Raad bevestigend beantwoord.
Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat een broer van betrokkene, [naam broer] blijkens het, ten behoeve van een door hem in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 gedane aanvraag opgestelde, sociaal rapport uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn moeder met betrokkene tijdens de Japanse bezetting buiten het kamp is gebleven. Gezien het voorgaande kan aan de door eiser bij de aanvraag overgelegde verklaring van pastoor Borgreve O’Carm dan ook niet die waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien.
Objectieve gegevens die tot een ander oordeel moeten leiden, zijn ook anderszins niet aanwezig.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.