ECLI:NL:CRVB:2004:AR2356

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5976 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep wegens termijnoverschrijding bij aanvraag erkenning burger-oorlogsslachtoffer

Eiseres diende in december 2002 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Verweerster wees deze aanvraag bij besluit van 12 juni 2003 af. Eiseres maakte bezwaar, maar diende dit pas op 30 september 2003 in, na de wettelijke termijn van zes weken zoals voorgeschreven in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerster verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens deze termijnoverschrijding en vroeg eiseres om een toelichting op de late indiening. Eiseres verwees naar haar eerdere bezwaarschrift, maar gaf geen concrete omstandigheden die de overschrijding konden verontschuldigen. De Raad oordeelde dat verweerster terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat geen verschoonbare redenen waren aangevoerd.

Daarnaast stelde eiseres dat zij niet gehoord was conform artikel 7:2 Awb Pro, maar de Raad vond dat verweerster terecht van het horen kon afzien op grond van artikel 7:3 Awb Pro. De Raad wees het beroep af en kende geen vergoeding van proceskosten toe.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare redenen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5976 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres]s, wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 30 oktober 2003, kenmerk JZ/Z60/2003, ten aanzien van eiseres een besluit genomen.
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juli 2004. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 12 juni 2003, op gelijke datum aan eiseres verzonden, heeft verweerster afwijzend beslist op een door eiseres in december 2002 ingediende aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt bij schrijven van 27 september 2003 dat op 30 september 2003 bij verweerster is ingekomen.
Verweerster heeft, nadat zij had vastgesteld dat het bezwaarschrift na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is ingediend, bij brief van 8 oktober 2003 aan eiseres verzocht aan te geven wat de reden is van het te laat indienen van het bezwaarschrift.
In antwoord hierop heeft eiseres bij brief van 20 oktober 2003 verwezen naar het gestelde in het bezwaarschrift.
Bij het bestreden besluit heeft verweerster eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar wegens overschrijding van de voor de indiening van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn van zes weken. In dat verband is overwogen dat niet is gebleken van omstandigheden die de termijnoverschrijding kunnen verontschuldigen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres niet in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
De Raad overweegt als volgt.
Vaststaat dat eiseres de voor de indiening van een bezwaarschrift geldende termijn van zes weken heeft overschreden.
Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad van oordeel dat verweerster terecht geen aanleiding heeft gezien om niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege te laten, nu eiseres geen redenen heeft aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Hiertoe overweegt de Raad dat eiseres in het bezwaarschrift stelt door omstandigheden de bezwaartermijn te hebben overschreden, maar niet is gebleken welke omstandigheden hebben geleid tot die overschrijding. In beroep heeft eiseres evenmin redenen aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.
Voorzover eiseres in beroep heeft aangevoerd dat verweerster het bestreden besluit heeft genomen zonder dat zij overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:2 van Pro de Awb in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, overweegt de Raad dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 7:3 Awb Pro op grond waarvan verweerster bevoegd is van het horen af te zien. De Raad ziet dan ook geen grond aanwezig om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van Pro de Awb.
Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.